Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPÜT IX.

HOOFDSTUK IX.

De Wijsheid Gods heeft zich een huis gebouwd, eenen maaltijd aangericht en laat allen (met uitsluiting slechts der spotters) uitnoodigen, om te komen aanzitten aan dien disch, te bewandelen de wegen, die geleiden ten leven

fVm i 12); de wijsheid der wereld noodigt eveneens allen uit aan

den disch van zingenot; die haar lokstem volgen, vinden den dood (v. 18—18).

1. Sapientia aedificavit sibi domum, excidit columnas septem.

2. Immolavit victimas suas, miscuit vinum, et proposuit mensam suam.

3. Misit ancillas suas ut vocarent ad arcem, et ad moenia civitatis:

4. Si quis est parvulus, veniat ad me. Et insipientibus locuta est:

*) Dezelfde ongeschapen Wijsheid, die zich in het vorige hoofdstuk openbaarde als Persoon, wordt hier beschreven en verder sprekende ingevoerd, waar Zij de menschen uitnoodigt aan het gastmaal door Haar aangericht in hare stad. v. 3, in haar huis, v. 1, in haren tempel, v. 2. — Onder deze beelden wordt in het algemeen aangegeven, wat de Wijsheid heeft gedaan tot leering en heiliging der menschheid; maar op net voetspoor der HH. Vaders mag dit worden toegepast op de groote stichting Gods, de Kerk, hare leer en hare genademiddelen.

*) De Wijsheid, wier vermaak het is te zijn onder de kinderen der menschen, en die zalig prijst degenen, die de wacht houden aan hare poorten (vgL VII 31, 34), heeft zich een huis, eene blijvende woonsteê, gebouwd onder de menschen. Dit huis is naar de verklaring van den H. Bernardus en de toepassing der Kerk in de H. Liturgie de schoot der H. Maagd; naar de verklaring van andere HH. VV. Athanasius, Leo, August, enz. de H. Menschheid van Christus, in Wien woont de gansche volheid der Godheid lichamelijk, Col. II 9; beter naar den samenhang en de verklaring van den H. Augustinus de Kerk, het mystieke lichaam van Christus.

s) De uit marmer uitgehouwen zuilen dienden om den voorgevel of de

1. De Wijsheid1) heeft zich een huis gebouwd2), Zij heeft zich zuilen uitgehouwen, zeven in getal3).

2. Zij heeft hare offerdieren geslacht, Zij heeft den wijn gemengd en hare tafel aangericht4).

3. Zij heeft hare dienstmaagden uitgezonden, om uit te nooden naar den burg ennaardemurenderstad5):

4. Wie klein is, hij kome tot Mij. En tot de onverstandigen heeft Zij gesproken4):

galerijen op het binnenhof der Oostersche paleizen te schragen en te sieren. Zeven, het heilig getal (vereeniging van het oneindige en het eindige), zinnebeeld van algeheele volkomenheid. De zeven zuilen zijn derhalve het zinnebeeld van alles, wat aan de Kerk, het huis der Wijsheid, volmaakte schoonheid en onvergankelijkheid schenkt. Door de HH. Vaders wordt het beeld in het bijzonder toegepast op de Apostelen (vgl. ad Ephes. II 20), op de zeven HH. Sacramenten, op de zeven gaven van den H. Geest enz.

4) Het huis, waarin de Wijsheid woont op aarde, is ook een tempel; Zij draagt daar haar Offer op, Zij richt daar haar offermaaltijd aan in het Offer der Mis; vgl. VII 14. Den wijn gemengd, d. i. naar het gebruik in Oostersche landen toebereid met water of met geurige kruiden.

*) Even als de Koning in de gelijkenis Matth. XXII 2, zendt nu ook de Wijsheid boden uit om de menschheid te nooden aan het gastmaal; de Wijsheid, voorgesteld als Koningin, daarom is hier spraak van dienstmaagden. Christus zendt zijne Apostelen tot aan de uiteinden der wereld om uit te nooden naar den burg enz.: de Kerk is de voor allen zichtbare, onvergankelijke H. stad Gods, op den berg geplaatst. Vgl. Matth. V 14.

*) De oproeping gaat tot allen, die

I

I

Sluiten