Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Nihil sub sole novum, nee valet quisquam dicere: Ecce hoe recens est: jam enim praecessit in saculis, qua fuerunt ante nos.

11. Non est priorum memoria: sed nee eorum quidem, quae postea futura sunt, erit recordatio apud eos, qui futuri sunt in novissimo.

12. Ego Ecclesiastes f ui rex Israël in Jerusalem,

13. Et proposui in animo meo

quaerere et mvestigare sapienter de omnibus, qua fiunt sub sole. Hanc occupationem pessimam dedit Deus filiis hominum, ut occuparentur in ea.

14. Vidi cuncta, qua fiunt sub sole, et ecce universa vanitas, et afflictio spiritus.

") Dit vers geeft de reden aan, waarom sommige dingen aan de thans levenden nieuw schijnen. De reden is gelegen in de onwetendheid en de vergetelheid van den kortzichtigen mensch.

) De Prediker begint zijne vertoogen over de ijdelheid van het aardsche met een algemeene beschouwing van de beslommeringen der menschen; de ervaring leerde hem, dat al die zorgen ijdel. zijn en dat zelfs het streven naar de kennis daarvan kommer baart. Van zijn onderwerp diep doordrongen, beschriift Mi rlan ;n/i-„i, n— j.-J

bevindingen eertijds op hem gemaakt hadden, met 7cUpo k«rf.i„.i,t„isi.u.:j

en dichterliike ni,ar.A~ii„t„„ tril u

ner uitdrukkingen, b. v. die" betreffende de nriiohoi^ /- m . nv . . ..

• — "'j«™u ±o), maiigt nij in den verderen lnnn ,;,„„».

hngen; vgl. o. a. VIU 1, 5; IX 13 en ? ,i~8» 12 de lofprijzingen der wijsneut. — Als koning van Israël had hn

l'UDere ondervinding»» ™— i '

. - --—iiicox uiBjisuiienKennis, had hij alle goederen des levens

in de nikste mnte holton , >

had hii tiid en iroiom.ni.ou -j-i. _.I

tiet doen en laten der menschen bezig te houden. _ De uitdrukking ik was

konina heteolron + ..(.. j», ia -is*

, .." ~ —...* «.ci, udt 11 IJ, uil

senrflvende, geen koning meer was of uat een later levende dit boek in zijn persoon heeft ongesteld ni« ir«h.

zegswijze moet verklaard worden in

10. Er is niets nieuws onder de zon, en niemand kan zeggen: Zie, dit is iets nieuws; want bet is er reed3 te voren geweest in de eeuwen, die vóór ons waren.

11. Van het vroegere is geene herinnering gebleven; doch zelfs ook van datgene, wat later zal geschieden, zal geene herinnering blijven bij

ucgcucu, uid uaiuaais zuiien zijnw).

12. Ik, de Prediker, ik was koning van Israël te Jerusalem11),

13. en ik zette er mijn hart op, wijselijk onderzoek en nasporing te doen omtrent alles, wat geschiedt onder de zon. Deze allerlastigste bezigheid gaf God den menschenkinderen om zich daarmede bezig te houden12).

14. Ik zag alles, wat geschiedt onder de zon; en zie, alles was ijdelheid en kwelling des geestes13).

verband met hetgeen volgt in v. 13; zij geeft te kennen, dat hij in zijné hoedanigheid van koning de ondervinding opdeed, waarop mf zich beroept.

") Met allen ijver legde de Prediker er zich op toe, wijselijk, d. i. door de wijsheid bestuurd, terdege onderzoek te doen omtrent alles, wat geschiedt onder de ton, Hebr. «wat geschiedt onder den hemel», d. i. omtrent al de bemoeiineen der menschen. wuormodn

zij zich naar v. 3 voor het aardsche leven vergeefs afmatten. Dit laatste noemt de Prediker, reeds aanstonds zijne bevindingen hieromtrent mededoelende, de allerlastigste bezigheid, d. i. de afmattende en treurige taak, welke God, tot straf der sonde, dm menschenkinderen gaf, (Hebr.) «om zich daarmede af te matten» (vgl. III 10). De uitkomst toch en de vrucht van al die afsloving is (v. 14) niets dan ijdelheid, dewijl (v. 15 Hebr.) de mensch, ten gevolge zijner onwetendheid en gedreven door zijne ongetoomde begeerlijkheid, vergeefs worstelt tegen hetgeen God heeft geordend of althans toegelaten.

") Hebr.: «en najagen van wind», d. i. streven en verlangen naar hetgeen zonder wezen en' werkelijkheid is en geen blijvende bevrediging aanbiedt. Vgl. Prov. X 4 en Os. XII 1.

Sluiten