Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Attamen peccator ex eo quod centies facit malum, et per patientiam Bustentatur, ego cognovi quod erit bonum timentibus Deum, qui verentur faciem ejus.

13. Non sit bonum impio, nee prolongentur dies ejus, sed quasi umbra transeant qui non timent faciem Domini.

14. Est et alia vanitas, qusa fit super terram: sunt justi, quibus mala proveniunt, quasi opera egerint impiorum: et sunt impii, qui ita securi sunt, quasi justorum f acta habeant: sed et hoe vanissimum judico.

15. Laudavi igitur laetitiam quod non esset homini bonum sub sole, nisi quod comederét, et biberet, atque gauderet: et hoe solum secum auferret de labore suo in diebus vitte SU83, quos dedit ei Deus sub sole.

16. Et apposui cor meum ut scirem sapientiam, et intelligerem distentionem, qua? versatur in terra: est

12: Evenwel omdat de zondaar honderdmaal kwaad doet en met lankmoedigheid geduld wordt, daarom weet ik, dat het goed zal gaan aan de godvreezenden, die zijn aangezicht vreezen*).

13. Het ga den goddelooze niet goed, en dat zijne dagen niet verlengd worden, maar als een schaduw mogen voorbijgaan die het aangezicht des Heeren niet vreezen10).

14. Er is nog eene andere ijdelheid11), die op aarde geschiedt: er zijn gerechtigen, aan wie onheilen overkomen, alsof zij de werken der goddeloozen gedaan hadden; en er zijn goddeloozen, die zoo gerust zijn, alsof zij de werken der gerechtigen gedaan hadden; maar ook dit houd ik voor zeer ijdel1*).

15. Dt roemde derhalve de vreugde, dat er voor den mensch niets goed onder de zon is dan te eten en te drinken en zich te verheugen, en dat hij dit alleen met zich wegdrage van zijnen arbeid13) gedurende zijne levensdagen, die God hem geeft onder de zon.

16. En ik zette er mijn hart op om wijsheid te leeren kennen en de afsloving te begrijpen, die op de aarde geschiedt — er is een mensch,

*) Naar de Vulgaat besluit de Prediker uit Gods lankmoedigheid jegens den zondaar tot Gods goedertierenheid en barmhartigheid jegens de godvreezenden. Het Hebr. vertaalt men aldus: «Hoewel een zondaar honderdmaal kwaad doet en (niettemin zijne dagen) verlengt, toch weet ik ook, dat het den godvreezenden, hun, die voor zijn aangezicht vreezen, goed zal gaan».

u) Naar de Vulgaat eene uit ijver voor Gods eer en voor de gerechtigheid voortkomende verwensching tegen den goddelooze. Het Hebr. vertaalt men in verband met v. 12: (en ik weet ook) «dat het den goddeloozen niet goed zal gaan en dat hij, die voor het aangezicht van God niet vreest, evenmin zijne dagen zal verlengen als een SChadUW». ,-J, It. !J

") Hebr.: «Er is eene ijdelheid»;

nog eene andere staat niet in den grondtekst. Wat volgt is eene versterkte bevestiging der reeds uitgesproken waarheid betreffende de averechtsche verhouding tusschen deugd en tegenspoed, ondeugd en voorspoed, hier op aarde. . .

") Zeer ijdel of bedrieglijk is het, bij zijn oordeel te steunen op hetgeen hier beneden geschiedt en de vergelding in het andere leven uit het oog te verliezen. Daarop volgt weder het gewone besluit, dat het beter is voor den tijd van dit aardsche leven (onder de zon) een betamelijk genot te hebben van zijnen arbeid en overigens te berusten in Gods wil, wiens Voorzienigheid het kwaad beschikt of toelaat volgens zijne wijsheid.

") Hebr.: «en dat dit hem vergezelle bij zijnen arbeid».

Sluiten