Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Haar bekoorlijkheid voor hem (IV 8—V 1).

In het laatste lied wordt de bruid hoofdzakelijk bezongen als een tuin met heerlijke vruchten en geurige specerijen, waartoe dan de bruid den bruidegom uitnoodigt (IV 16 e—/), terwijl de bruidegom de bruiloftsgasten op het eind van het lied uitnoodigt van het feestmaal te genieten. Het lied is derhalve een zang vóór of bij het bruiloftsmaal.

Daarna volgt een zang in drie deelen met dramatische inkleeding (V 2- VI 2), waarvan het doel en de kern is: een stoute schildering van den bruidegom door de bruid (V 10—16).

Als loon ontvangt de bruid een nieuwe lofprijzing van den bruidegom (VI 3 — 9).

Dan komt de in sommige streken van Palestina nog gebruikelijke bruidsdans, waarbij de bruid in sterk sprekende kleuren geschilderd wordt (VI 12 —VII 9). Verder volgen :

Een liefdelied uit den verlovingstijd: ontmoeting en samenzijn der gelieven buiten (VI 10 — 11, VII 10—VIII 4), waarbij echter de innige wenschen der bruid nog niet vervuld konden worden (VIII 1 — 2).

Zegevierende liefde (VIII 5—7).

Twee raadselspreuken met oplossing: de bruid eene vesting (VIII 8—10);

de bruid de wijnberg des bruidegoms (VIII 11—12; de verzen 13 en 14 staan op een verkeerde plaats). Men ziet dat er toch volgorde is in de zangen van het Hooglied, als werkelijk carmen nuptiale opgevat.1)

Welk doel had de auteur van het Hooglied?

Daar het boek «onder inspiratie van den H. Geest geschreven» (Conc. Vat.) d. i. samengesteld is, is zijn doel dat van een geïnspireerden schrijver. Eerste vereischte is derhalve dat dit doel een geïnspireerd auteur waardig zij.

Daaraan voldoet niet de gedachte alleen om liedjes te verzamelen ten einde een «tekstboekje» voor bruiloftsfeesten te leveren. Voor zoo iets is goddelijke inspiratie minstens overbodig.

De inspiratie niet onwaardig zou het denkbeeld zijn om liedjes te veriameien, waardoor de opvatting van het huwelijk verhoogd, de door God gewilde vorm van het huwelijk tot eere gebracht wordt. Dit nu is in het Hooglied werkelijk het geval. Het bezingt van het begin tot het einde de liefde als den noodzakelijken grondslag van het huwelijk: de innige, echte, alle andere motieven overtreffende liefde, de onverbreekbare, eeuwigdurende liefde, die «sterk is als de dood» en «onverzettelijk als het doodenrijk», de liefde wier laaie gloed geen tanen kent, door geon wateren ooit geblüscht, door geen vloeden overstelpt kan worden. Heerlijker apotheose van de huwelijksliefde is niet denkbaar dan die het Hooglied ons in de hier bedoelde paar versregels (VIII 6—7) te genieten geeft. Welnu zulk eene verheerlijking van de liefde kon niet missen verheffend te werken op den Oosterling, ook op den

') Onze indeeling en opvatting der liederen (meermalen afwijkend van die van Zapletal) worden in de aanteekeningen voor zoover noodig nader gestaafd.

Sluiten