Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Ecce tu pulchra es amica mea, ecce tu pulchra es, oculi tui columbarum.

15. Ecce tu pulcher es dilecte mi, et decorus. Lectulus noster floridus:

16. Tigna domorum nostrarumcedrina, laquearia nostra cypressina.

«henné» in het Oosten ter markt komt en nu zoowel als oudtijds dient om aan het haar, aan het inwendige der hand en aan de nagels een roode tint te geven. In Palestina gedijt de plant nu nog slechts te Engaddi.

"°) Engaddi, Hebr. Engedi(d. i. «Geitebokjesbron»), lag in de Woestijn van Juda (Jos. XV 62), aan de Doode Zee (Ezech. XLVII 10), beschermd door schier onbestijgbare rotsen, waar David zich eens in een spelonk verborg voor Saül (I Reg. XXIV 1-4). Eusebius en Hiëronymus kenden ten W. der Doode Zee nog een groot Jodendorp, «vanwaar de balsem kwam». De Vroegere naam was Asasonthamar («waar men palmen snijdt»), Gen. XIV 7 en II Par. XX 2; deze naam schijnt nog gedeeltelijk bewaard in het tegenwoordige wadi Hadzddzd, ten. N. van de bron Ain-Dzjedi d. i. Éngedi. Deze bron ontspringt op een terras 120 meter boven den spiegel der Doode Zee; haar zoet water voedt zeldzame planten en trekt vogels en insecten uit de streek der Doode Zee; de palm en de wijnstok (onze tekst zegt letterlijk «wijngaarden») zijn verdwenen, maar de oude wijnbergen zqn er nog, ook sporen van tuinen.

"') Wij houden v. 14-11 7 voor één liedje, waarin ons een liefelijk tafereeltje geschilderd wordt uit het herdersleven der twee gelieven. Zij rusten in het groene lommer (vgl. noot 19) en zijn den koning te rijk af (vgl. v. 15 c—16). De bruidegom spreekt v. 14, de bruid v. 15, de bruidegom v. 16. De eerste strofe (v. 14) keert IV 1 terug, doch daar met een regel meer. Het lied sluit goed aan bij de gedachte van v. 12—13.

, 14. Zie, schoon zijt gjjj, mijne

liefste31)

zie, schoon zijt gij. Uw oogen als van duiven**)! , 15. Zie,achoon zijt gij, mijn beminde en verrukkelijk. Ons leger is vol bloemen33), • 16. Van ceders zijn de balken van ons paleis84), van cypressen onze wandpa-

neelen36),

I ") Vuig. heeft letterlijk: «uwe oogen (zijn) van duiven». Dien zin kan ook hel Hebr. hebben, doch beter leest en vertaalt men: «uwe oogen. zijn als duiven» (vgl. V 12). Hetzelfde IV 1.

) Hebr.: «is groenend», nl. (naar aen gewonen zin van het woord) in t groene lommer. Tegenstelling met een vertrek in het koninklijk paleis. In een Arabisch lied zingt men de bruid toe: «Jasmijn zij uw leger, en rozen uw dek». ") Eigenlijk «huizen», d. i. paleis. ) Het Hebr. woord schijnt naar het Syrisch «planken» te beteekenen. Met een kleine verandering lezen echter Wetzstein en Zapletal beter: «en onze wanden». De grondtekst zegt duidelijk dat ceders de balken, cypressen de wanden van het paleis vormen, zoodat de opvatting (die ook in de Vuig. schijnt te liggen), volgens welke er sprake zou zijn van een werkelijk huis, waarvan de balken van oederhout en de «paneelen» van cypressenhout gemaakt zijn, onjuist is. Blijkbaar wordt een lommerrijke plaats beschreven onder de takken der hooge ceders en tusschen altijd groene cypressen (waarschijnlijker, volgens sommigen, hier een andere soort edele den, welker stam van grond op takken heeft, die dicht met naalden bezet zijn). Daar de bruid bij dén gewnden schrijver allegorie is voor Israël is het groene «paleis» het land Chanaan.' Het lied is zoo een idyllische schildering van den goeden ouden tijd. toen Israël nog geen koningen had met hunne paleizen en hun wereldsch gedoe, nog leefde in zijn eenvoudige herderszeden en onder de rechtstreeksche schutse en leiding van zijn God. Voor den hoogeren zin vgl. nog II noot 3.

-~- • «*- voucia /.iiu ue uaiiten van

Sluiten