Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Duo ubera tua, sicut duo hinnuli capreae gemelli, qui pascuntur in liliis:

6. Donec aspiret dies, et inclinentur umbrae, vadam ad montem myrrhae, et ad collem thuris.

7. Tota pulchra es amica mea, et macula non est in te.

5. Uw borstenpaar is als twee

herten jongen, tweelingen der gazelle, die in de lelies weiden"):

6. totdat de dag koel waait

en de schaduwen zich neigen, ga ik naar den mirre-berg en naar den wierookheuvel15).

7. Gansch schoon zijt gij, mijne

en smet is niet in u16).

8. Veni de Libano sponsa mea, 8. Kom") van den Libanon, mijne „ bruid!

300 kleine gouden schilden op (III Reg. X 16—17), die door Pharao Sesac onder Roboam werden weggenomen (ald. XIV 26). Vgl. ook Ezech. XXVII 11, waar men de schilden rondom aan de muren van Tyrus hangt, en I Mach. IV 57, waar het front van den tempel met kransen en kleine schilden behangen wordt. De gouden schilden van David's buit uit de steden van Adarezer (II Reg. VIII7) hingen later volgens IV Reg. XI 10 in (of aan) den tempel. Bij de schilden zal onze dichter gedacht hebben aan de halssieraden der bruid (b. v «maantjes», vgl. Judic. VIII 21, Is. III18, met de noten).

") Idyllisch beeld van de bruid: eene gazelle met haar tweelingjongen (de borsten) weidend tusschen de leliën. Het laatste is weer slechts uitwerking van het beeld; de zin is alleen: ik vergelijk u met eene gazelle en haar tweelingen zooals men die ziet grazen in het met lelies als bezaaide (vgl. II noot 1) weideveld. Paar («uwe twee borsten») schijnt glosse. De volgende twee regels passen hier niet en schijnen ontleend te zijn aan II 16, waar zij ook bij weiden staan (van den herder), of liever hierheen gekomen te zijn uit VI1, waar zij na de aan II 16 gelijke uitdrukking gemist worden; VII 3, waar hetzelfde beeld als hier voorkomt, ontbreken ze. In het verband van onzen tekst kunnen ze zoowel bij het voorafgaande (weiden) als bij het volgende gevoegd worden; zie verder VI noot 3 en VIII noot 28.

") Ook de twee laatste regels passen nier niet. Zij onderbreken hinderlijk de beschrijving van de bruid, welke blijkbaar met het aan v. 5 c goed aansluitende v. 7 besloten wordt. Daar de inhoud van deze twee regels geheel buiten het voorafgaande beejd gaat en

er geen nieuw beeld wordt ingeleid, maar het nieuwe optreedt als reeds voorgesteld («den mirreberg», «den wierookheuvel»), staan zij buiten den samenhang en moet het daarin vervatte beeld dus niet worden toegepast op de borsten der bruid. De vergelijking met VII 7—8 gaat niet op, eensdeels wijl dat uitwerking is van een goed ingeleid beeld, anderdeels omdat het beeld daar een geheel ander is. Zie verder V noot 1.

") Vgl. de hierop veel gelijkende lof der schoonheid van Absalom II Reg." XIV 25. Het tweede halfvers verklaart het eerste, dat aan het eind van het lied de waarheid van v. la nog eens bevestigt. Het woord moem (smet) komt in de H. Schrift voor in den zin van lichamelijk gebrek, in 't bijzonder van een ritueel gebrek bij priesters en offerdieren, en ook in dien van zedelijke smet (Deut. XXXII 5; Prov. IX 7 j Job XI 15). — In den allegorischen zin bedoelt de gewijde auteur het goede, aan God getrouwe Israël. De Kerk past de lofspraak zeer zinrijk toe op de bloem van Israël — welker verschijning het doel was van Israël's bestaan: de allerheiligste Maagd Maria, de Onbevlekt Ontvangene. Deze toepassing vormt als een overgang tot den typischen zin: Israël m 't algemeen en Maria in 't bijzonder typus en — zij vooral — Moeder van Christus' Bruid, de Kerk, die Hij heeft gereinigd «in het bad des waters (vgl. boven, v. 2) in het woord (des levens), om zelf aan zichzelven de Kerk volheerlijk voor te stellen (als zijne Bruid), die geen smet of rimpel heeft of iets dergelijks, maar opdat zij heilig zij en vlekkeloos* (Ephes. V 27). Paulus denkt hier blijkbaar aan onzen tekst. ") Het Hebr. Htti beteekent: «met

Sluiten