Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

totus desiderabilis: talis est dilectus meus, et ipse est amicus meus, filiae Jerusalem.

17. Quo abiit dilectus tuus, o pulcherrima mulierum ? quo declinavit dilectus tuus, et quaeremus eum tecum ?

en gansch is hij begeerlijk46). Zoo is mijn beminde, en dat is.

mijn vriend47), o dochters van Jerusalem.

17. Waar ging uw beminde heen, o schoonste der vrouwen? Waar wendde zich uw beminde heen ?

En we gaan hem zoeken

met u48).

CAPÜT VI.

HOOFDSTUK VI.

Hij is in zijn tuin, d.i. bij de bruid (v.1—2). Lof der bruid (v.3-9). Op weg naar den notenhof (o. 10—11). De bruid (Sulamith) vertoone zich (v. 12).

1. Dilectus meus descendit in hortum suum ad areolam aromatum, ut pascatur in hortis, et lilia. colligat.

2. Ego dilecto meo, et dilectus meus mihi qui pascitur inter lilia.

Mijn beminde is in zijn tuin

gegaan1),

naar het perk2) der specerijen, om te weiden in de gaarden en leliën te lezen8). Ik aan mijn beminde en mijn beminde aan mij, die in de lelies weidt4)!

duidt het inwendige van mond en keel als orgaan van smaak en spraak; vgl. Prov. VIII 7: «mijn gehemelte (ehikki) spreekt waarheid». — Voor den hoogeren zin vgl. Ps. XVIII10--11: «'s Heeren verordeningen zijn zoeter dan

honing en honingzeem», en Ps. CXVIII 103 (zie boven II noot 3).

46) Hebr. «begeerlijkheden», geneugten. Hij is louter begeerlijke schoonheid en lieflijkheid.

4') Hebr.: «Dat is mijn beminde, en dat mijn vriend».

4S) Met dit vers, dat in den Hebr. tekst onder het volgende hoofdstuk staat, begint hèt slot van den zang (v. 17—VI 2). De «dochters van Jerusalem» gaan door in de voorstelling van v. 6 —9: als hij zóó schoon is, dan willen we u helpen zoeken.

') Eig. «afgedaald». De dichter maakt nu snel een einde aan zijne dramatische voorstelling, want zijn doel, de schildering van den bruidegom, is bereikt. De bruidegom is in zijn tuin, bij de bruid (zie VI).

») Een andere Hebr. lezing geeft het meervoud, evenals V 13 («balsemper-

ken»). De uitdrukking is parallel bij den tuin met zijn welriekende gewassen, vgl. IV 12—14 en V 1 c—f.

*) D. i.: om zich in zijn tuin te vermeien en het zoete ervan te genieten. De twee laatste regels zeggen in herderstaai (vgl. II 16) hetzelfde als de twee eerste. Doch het lied blijft nu in dit beeld uit het vrije herdersleven, zingt weer van een tooneeltje als in den tijd der jonge liefde en sluit aldus frisch en schoon.

4) Evenals II 16. De hoogere zin geeft hoogeren ernst en diepere waarheid aan deze idyllische en eenvoudige ontknooping van het schijnbaar, dramatische stukje. Berouw en liefde geven, na voldoende beproeving, den bruidegom plotseling aan de bruid terug. Zij weet waar hij is: in zijn tuin, bij haar, aan haar hart, — zij behoeft hem niet meer te zoeken, de straf is uit, de liefde verwon. «Eene verlaten vrouw als ge waart, en zielsbedroefd, heeft de Heer u geroepen, als echtgenoote der jeugd die verstooten was. Voor een oogenblik, èen korte wijle, heb Ik u verlaten, en met groote ontferming verzamel Ik u. In

Sluiten