Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Aquae multas non potuerunt exstinguere caritatem, nee flumina obruent illam: si dederit homo omnem substantiam domus suae pro dilectione, quasi nihil despiciet eam.

8. Soror nostra parva, et ubera non habet: quid faciemus sorori nostraa in die quando alloquenda est?

9. Si murus est, aedificemus super eum propugnacula argentea: si ostium est, compingamus illud tabulis cedrinis.

10. Ego murus: et ubera mea si-

7. Veel wateren vermogen niet de liefde uit te blusscben, geen vloeden overstelpen ze. Biedt iemand aan de gansche have van zijn huis voor de liefde, hij acht ze als niets16).

8. Klein is onze zuster17),

en borsten heeft ze niet, — wat gaan we doen met onze

zuster

ten dage dat ze aangesproken wordt18) ?

9. Is zij een muur, we bouwen daarop een zilveren tinne; is zij een deur, wij leggen daarop beschotten van ceders19.).

10. Ik ben een muur,

en mijn borsten als een toren20),

uitdrukking ook in 't algemeen opvatten als «geweldige vlam», zoodat Jah ter versterking dient, evenals waarschijnlijk Jer. II 31 mapêl-Jah = «dikke duisternis». Gewoonlijk wordt ter versterking El («Gods») gebruikt, b. v. Ps. XXXV 7 harrêi-El «hooge bergen», Ps. LXXIX 11 «hooge ceders». — In een Arabisch liedje zingt men: «Hoe heet is toch het vuur der liefde! Het is in mijne ingewanden gedrongen en machtig geworden, recht in het hart is het gekomen».

") Geeft ze gaarne. Hebr.: «minachtend zonden zij (d. i. zou men) hem (of «het.) verachten» (afwijzen). Sommigen vatten het op als eene vraag: «Zoo iemand al zijne have gaf voor de liefde, zou men hem dan verachten?» Zóóveel namelijk, en meer nog, is zij waard. Bêtho (zijn huis) vat men met Hontheim beter op als parallel bij have, zoodat men een goeden versregel krijgt: «zijn huis voor de liefde».

") Een bruiloftsliedje (v. 8—10) in den vorm van een «masjal» of raadseldicht (vgl. Judic. XIV 12—14 en 18): de bruid eene vesting. Herinnerd wordt aan de zorg, die de broeders voor haar hadden toen de bruid nog een klein meisje was, en aan hetgeen zij dan plachten te zeggen. De grondtekst luidt: «Wij hebben een kleine zuster».

") Den grondtekst vertaalt men beter: «dat over haar gesproken wordt», n.1. I

dat men komt dingen om hare hand. Bij uithuwelijking hadden ook de broeders toestemming te geven; vgl. Gen. XXIV 29 met 50, XXXIV 13—14, en Judic. XXI 22. Te meer was dit het geval wanneer er geen vader meer was, zooals hier ondersteld wordt (zie III noot 8).

19) Zq wordt hier met eene vesting vergeleken. Is zij een muur, d. i. geeft zij geen toegang aan jongelieden, dan zullen we, bij haar huwelijk, daarop, of op haar, bouwen (haar versieren met) een tinne (trans) van zilver. De dichter blijft in het beeld van den muur. Het Hebr. woord (met tinne vertaald) beduidt een schutting, staketsel, in 't bijzonder de ronde omheining van de tentdorpen der nomaden. Bedoeld is waarschijnlijk een zilveren kroon, die de broeders haar zullen schenken bij hare bruiloft (zie III noot 23). Is zij een deur, d. i. voor jongelieden toegankelijk, wij «sluiten haar in» (Hebr.), verschansen haar, met sterke cederen planken, d. i. dan zullen wij haar van allen omgang afsluiten, den toegang tot haar onmogelijk maken.

*°) De bruid geeft het antwoord op de haar voorgestelde genoegzaam doorschijnende raadselspreuk: ik was en ben het eerste: een muur, ongenaakbaar voor ieder buiten mijn bruidegom, en mijne borsten zijn wel groot geworden, maar het zijn juist «torens» (Hebr.

Sluiten