Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vimus esse: et virtutis quidem nullum signum valuimus ostendere: in malignitate autem nostra consumpti sumus.

14. Talia dixerunt in inferno hi, qui peccavèrunt:

15. Quoniam spes impii tamquam lanugo est, quae a vento tollitur: et tamquam spuma gracilis, quae a prooella dispergitur: et tamquam fumus, qui a vento diffusus est: et tamquam memoria hospitis unius diei praetereuntis. Ps. I 4; Prov. X 28 et XI 7.

16. Justi autem in perpetuum vivent, et apud Dominum est merces eorum, et cogitatio iilorum apud Altissimum.

17. Ideo accipient regnum decoris, et diadema speciei de manu Domini: quoniam dextera sua teget eos, et brachio sancto suo defendet illos.

18. Accipiet armaturam zelus illius,

boren, opgehouden te bestaan, en van deugd konden wij geen spoor aanwijzen; maar in onze boosheid zijn wij weggestorven1*).

14. Zoo spraken in de hel zij, die gezondigd hadden14).

15. Want de hoop van den goddelooze is gelijk dons, dat door den wind wordt opgenomen, en als licht schuim, dat door den storm wordt verspreid, en als rook, die door den wind uiteengolft en als het aandenken aan een gast van eenen dag, die voortreist15).

16. De gerechtigen daarentegen zullen in eeuwigheid leven, en bij den Heere is hunne vergelding en zorg voor hen bij den Allerhoogste16).

17. Daarom zullen zij ontvangen een heerlijk rijk en een schoonen diadeem uit de hand des Heeren; want met zijne rechterhand zal Hij hen beschutten en met zijn heiligen arm hen beschermen17).

18. Zijn18) ijver zal eene wapen-

*■)■ In onze boosheid, ten gevolge der losbandigheid of midden in de boosheid, zonder boetvaardigheid.

14) Dit vers ontbreekt in het Gr.

") Vs. 15—24 vormen het slot der beschouwingen van II 23—V 14. De schrijver bevestigt en bewijst het voorafgaande (v. 15—17): inderdaad, zij zijn rampzalig en niets baten hun rijkdommen enz. (v. 3, 9); want de hoop der boozen op aardsche goederen enz. vervliegt en wordt geheel vernietigd, gelijk enz. De lezing der Vulgaat: dons en schuim is waarschijnlijker dan eene andere: stof en rijm. Die voortreist; in Gr. «gelijk het aandenken aan een gast van één dag voorbijgaat», spoedig vergeten wordt door hem, die dagelijks andere vreemdelingen ontvangt.

ie) Datgene, waarop de gerechtigen hunne hoop vestigden, is niet ijdel, daar God hun loon is, en niet vergankelijk, want zij leven gelukkig in eeuwigheid. Bij den Heere, Gr. «in den Heer», in gemeenschap met God; zie VI 20.

") Daarom, omdat God voor de vromen zorgt (v. 16), zullen zij een

heerlijk koninkrijk en een schoonen diadeem ontvangen; immers geen vrees, dat zij deze zullen verliezen, want in den strijd voor het eeuwig geluk zal God altijd de gerechtigen bijstaan (v. 18—24). De schrijver gebruikt den toekomenden tijd, omdat hij spreekt over de gerechtigen van alle tijden. (I Cor. XV 24—28). Vooral in de laatste tijden zal de natuur (v. 21 volg.) strijden tegen de goddeloozen (Matth. XXIV 29; Luc. XXI 25); want dat hier sprake is van een strijd op aarde, blijkt uit v. 24: de gansche aarde.

") God wordt voorgesteld als een krijgsman, strijdende voor de vromen en tegen de boozen; zijne wapenen zijn: v: 18 ijver, liefde voor de gerechtigen, toom tegen de boozen; v. 19 gerechtigheid, welwillend voor de goeden, straffend voor de kwaden; onbedriegbaar oordeel, de alwetendheid; v. 20 goddelijk recht, Gr. «heiligheid», voor welke de boosheid een gruwel is, de deugd een voorwerp van liefde; v. 21 toorn, uiting van gerechtigheid. Deze schildering schijnt wel eene navolging te zijn van Is. LIX 17 volg.

Sluiten