Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19. Anni cursus, et stellarum dispositiones,

20. Naturas animalium, et iras bestiarum, vim ventorum, et cogitationes hominum, differentias virgultorum, et virtutes radicum,

21. Et quaecumque sunt absconsa et improvisa, didici: omnium enim artifex docuit me sapientia:

22. Est enim in illa spiritus intelligentiae, sanctus, unicus, multiplex, subtilis, disertus, mobilis, incoinquinatus, certus, suavis, amans bonum, aeutus, quem nihil vetat, benefaciens,

23. Humanus, benignus, stabilis, certus, securus, omnem habens virtutem, omnia prospiciens, et qui capiat omnes spiritus: intelligibilis, mundus, subtilis.

24. Omnibus enim mobilibus mobilior est sapientia: attingit autem ubique propter suam munditiam.

25. Vapor est enim virtutis Dei,

in het volgende: de wisselingen der keerpunten, den hoogsten en laagsten stand der zon en de (daaruit volgende) afwisseling der jaargetijden.

") Wellicht: aanvang en duur van zonne- en maanjaren en den wisselenden stand der sterren aan den hemel.

") De natuurlijke eigenschappen en de geaardheid van dieren en wilde beesten; de kracht der winden, anderen vertalen het Gr.: de macht der geesten, vergel. Flav. Jos., Antiq. VIII 2, 5; het denken der menschen, de regelen der denkleer of (Prov. XXVII 19) de gedachten gekend uil de daden; de soorten der gewassen enz. onder opzicht van geneeskracht.

") Al wat: een hyperbolische uitdrukking; onvoorzien, Gr. «openbaar», zichtbaar, de verschijnselen in de natuur. Dit alles wist ik, omdat dezelfde Wijsheid, waarmede God alles gemaakt heeft, mij onderwees, mij de menschelijke wijsheid mededeelde.

N) Het bewijs, dat de Wijsheid alles maakte en in alles onderwijzen kan (v.

19. den kringloop van het jaar en de standen der sterren17),

20. de natuur der dieren en de verwoedheid der wilde beesten, de kracht der winden, en het denken der menschen, de soorten der gewassen en de krachten der wortelen18),

21. en van al wat verborgen en wat onvoorzien is, had ik kennis; want mij onderwees de maakster van alles, de Wijsheid19).

22. Want in haar is een geest van verstand20), heilig, eenig, veelvoudig, fijn, welsprekend, vaardig, onbesmet, onbedrieglijk, zachtaardig, het goede minnend, scherpzinnig, door niets belemmerd, weldadig21),

23. menschlievend, goedertieren, bestendig, beslist, onbezorgd, bezittende alle macht, alles overziende en omvattende alle geesten, verstandig, rein, schrander22).

24. Meer toch dan al wat zich beweegt is de Wijsheid beweeglijk, en zij strekt zich tot alles uit krachtens hare reinheid28).

25. Want24) een adem is zij van

21). Minder aannemelijk is de lezing: Zij is een geest.

") Eenig in zijn soort, maar toch veelvoudig in zijne werking, I Cor. XII 4, 11; fijn, onstoffelijk; welsprekend, vaardig, Gr. «vaardig» (d. i. door geen afstanden belemmerd), «doordringend» (met zijn wezen of zijne kennis); onbedrieglijk, anderen vertalen het Gr.: «klaar», als licht; zachtaardig, Gr. «onkwetsbaar», onlijdelijk, d. i. aan geen invloed onderhevig.

n) Menschlievend, goedertieren, Gr. alleen: menschlievend; beslist, zonder weifelen; onbezorgd, gelukkig, zelfgenoegzaam; omvattende alle geesten, verstandig, enz., Gr. «alle geesten, de verstandige, reine, allerfijnste doordringende».

") De Wijsheid doordringt de fijnste geesten (v. 23), want zij is beweeglijk. d. i. zn wordt door geen afstand verhinderd, zij is alomtegenwoordig om hare reinheid, onstoffelijkheid.

**) Redengevend voor v. 24. Wat hier (v. 25 volg.) wordt gezegd van de Wijs-

Sluiten