Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eet, et justitiam, et virtutem, quibus utilius nihil est in vita hominibus.

8. Et si multitudinem scientia? desi der at quis, scit preterita, et de futuris antimat: scit versutias sermonum, et dissolutiones argumentorum: signa et monstra scit antequam fiant, et eventus temporum et saeculorum.

9. Proposui ergo hano adducere mihi ad eonvivendum: sciens quoniam mecum communicabit de bonis, et erit allocutio cogitationis et tajdii mei.

10. Habebo propter hanc claritatem ad turbas, et honorem apud seniores juvenis;

11. Et acutus inveniar in judicio, et in conspeotu potentium admirabilis ero, et facies prinoipum mirabuntur me:

12. Tacentem me sustinebunt, et loquentem me respicient, et sermooinante me plura, manus ori suo imponent.

13. Prseterea habebo per hanc, immortalitatem: et memoriam aeternam his, qui post me futuri sunt, relinquam.

14. Disponam populos: et nationes mihi erunt subditae.

) Gerechtigheid, in het algemeen de beoefening der deugd; rijk aan deugden, Gr. «haar werken zijn deugden»; want zij leert de vier hoofddeugden.

") Vermoedt: de goddelijke Wijsheid kent de toekomst met zekerheid, maar hier is sprake van de wijsheid in zooverre zij aan den mensch eene onvolmaakte kennis der toekomst mededeelt; de oplossing van raadselen, parabels, III Reg. X 1; Eccli. XXXIX 2, 3; teekenen en wonderen, d. i. natuurverschijnselen; uitkomsten van tijden en eeuwen, Gr.: «van tijdperken en tijden», zie VII 18 volg.

") Omdat VII 11 gezegd is, dat Salomon met de wqsheid alle goed reeds

vaardigheid en sterkte, en nuttiger dan deze is niets in het leven voor de menschen7).

8. En verlangt iemand veelzijdige kennis; zij weet het verledene en vermoedt het toekomstige; zij vat den diepen zin van spreuken en de oplossing van raadselen; teekenen en wonderen kent zij vóór ze geschieden en de uitkomsten van tijden en eeuwen8).

9. Ik besloot dan deze mij te nemen tot levensgezellin, overtuigd dat zij mij deelgenoot zou maken van het goede en mijn troost zou zijn in kommer en verdriet9).

10. Ik zal om haar aehting genieten onder de menigte en eere bij de oudsten, als jongeling;

11. en scherpzinnig zal ik bevonden worden in het gericht, en voor het aangezicht der machtigen bewonderenswaardig zijn, en het gelaat der vorsten zal over mij verbaasd staan10);

12. als ik zwijg, zullen ze op mij wachten en, als ik spreek, mij aanstaren, en als ik langer het woord voer, zullen zij de band op den mond leggen11).

13. Bovendien zal ik door haar onsterfelijkheid11) verwerven, en eene eeuwige gedachtenis hun, die na mij komen, achterlaten.

14. Besturen zal ik volkeren, en natiën zullen mij onderdanig zijn.

verworven had, wordt hij hier voorgesteld als sprekende in zijne jeugd. Toen verwachtte hij veel goeds van haar zoowel voor zijn staatsbestuur (deelgenoot van het goede, Gr.: raadgeefster ten goede zou zijn) v. 10—15, als in zijn huiselijk leven (troost) v. 16.

") In het gericht, III Reg. III16—28; voor het aangezicht der machtigen, in den rijksraad; en het gelaat enz. ontbreekt in het Gr. en is eene herhaalde vertaling van het vorige verslid.

") De hand op den mond leggen, eerbiedig zwijgen; Job XXIX 9.

") Onsterfelijkheid, hier: een onsterfelijken naam, als blijkt uit het tweede verslid.

v

Sluiten