Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11. Hos quidem tamquam pater monens probasti: illos autem tamquam durus rex interrogans condemnasti.

12. Absentes enim et praesentes similiter torquebantur.

13. Duplex enim illos acceperat taedium, et gemitus eum memoria praeteritorum.

14. Cum enim audirent per sua tormenta bene secum agi, commemorati sunt Dominum, admirantes in finem exitus,

15. Quem enim in expositione prava projeetum deriserunt, in finem eventus mirati sunt: non similiter justis sitientes.

16. Pro eogitationibus autem insensatis iniquitatis iilorum, quod quidam errantes colebant mutos serpentes, et bestias supervacuas, I

11. Genen toch hebt Gij als een vader vermanend beproefd; doch dezen als een streng koning uitvorschend veroordeeld8).

12. Want in afwezigheid en in aanwezigheid werden zij gelijkelijk gekweld*).

13. Dubbele smart toch greep hen aan en gezucht bij de herdenking van het verleden10).

14. Toen zij namelijk hoorden, dat door hetgeen hen gekweld had aan genen was welgedaan, dachten zij aan den Heer en waren verbaasd bij den eindafloop11).

15. Want dien zij als een misdadig te vondeling weggeworpene hadden gehoond, bewonderden zij bij den afloop der gebeurtenissen; daar zij geheel anders dan de gerechtigen dorst hadden geleden12).

16. En voor de onzinnige gedachten hunner boosheid, omdat sommigen in hunne dwaling stomme slangen en ellendig gedierte aan-

8) In v. 10 en 11 wordt het veelvoudig verschil tusschen den waternood der Egyptenaren en dien der Israëlieten uiteengezet: Voor dezen was het eene beproeving van hun vertrouwen, met mededoogen overgezonden door Gods vaderhand, om hen tot inkeer te brengen; voor genen echter eene straf in toorn uitgesproken door Gods strenge gerechtigheid.

9) Uit de hevigheid van het zielelijden der Egyptenaren wordt bewezen, dat het eene straf van een gestreng rechter was (v. 11). Zij leden niet alleen (nl. door watergebrek), toen de Israëlieten nog bij hen in het land waren (v. 7 volg.); maar ook na dezer uittocht werden zij gefolterd door toorn en nijd, als zij vernamen, dat dezen door een wonder uit hun waternood waren gered (v. 13 volg.). Daar in de volgende verzen alleen van zielelijden ; gesproken wordt, dat ontstond uit vergelijking met het verleden (v. 13), kan hier moeielijk gedacht worden aan de van huis afwezige Egyptenaren, die tot straf in de Roode Zee omkwamen, en de in het land aanwezige, achtergeblevene, die door zielesmart werden gekweld.

10) Dubbele Smart, nreen ha», nnn

bij de gedachte aan hun vroeger watergebrek; bij de herdenking, Gr.« mnêmön», misschien oorspronkelijk «mnêmonas», herdenkende; of «stenagmos (kal) mnêmê», d. i. kommervolle herinnering.

") Dit vers verklaart, welke de tweevoudige smart was: dat de Israëlieten in hun waternood wonderbaar geholpen, zö echter langdurig gekweld waren; anderzijds dat zij aan den Heer dachten, d. i. uit de straf den God der Israëlieten moesten erkennen. En waren verbaasd bij den eindafloop ontbreekt in het Gr.

") Vs. 15 verklaart nader, maar in omgekeerde volgorde, de twee oorzaken van smart in v. 14: dien zij vroeger hadden veracht, moesten zij als gunsteling Gods bewonderen, en zij zagen, hoé de waternood hun tot Straf, den Israëlieten tot verheerlijking strekte. Gr.: «Want dien zij eens te vondeling weggeworpen en hoonend afgewezen hadden» enz. Die te vondelinn wem.

geworpene is Moses, die door Pharao hoonend werd afgewezen (Exod. VII 23; X 10 volg.), en met hem het geheele volk.

Sluiten