Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rarum, et tamquam gutta roris antelucani, quae ciescendit in terram.

24. Sed misereris omnium, quia omnia potes, et dissimulas peccata hominum propter pcenitentiam.

25. Diligis enim omnia quae sunt, et nihil odisti eorum quae feeisti: nee enim odieus aliquid oonstituisti adt feeisti.

26. Quomodo autem posset aliquid permanere, nisi tu voluisses? aut quod a te vocatum non esset, conser var etur ?

27. Parcis autem omnibus: quoniam tua sunt Domine, qui amas animas.

sche wereld» en als een druppel morgendauw, die neervalt op de aarde20).

24. Maar Gij ontfermt U over allen, omdat Gij alles vermoogt, en Gij ziet de zonden der mensehen voorbij ter boetvaardigheid21).

25. Gij toeh bemint al wat is en verafschuwt niets van hetgeen Gij gemaakt hebt; immers niet met haat22) hebt Gij iets ontworpen of gemaakt.

26. En hoe had iets kunnen blijven bestaan, zoo Gij het niet gewild hadt? of hoe was iets, dat door U niet geroepen was, behouden gebleven23)?

27. Maar Gij spaart alles, want het is het uwe, Heer, minnaar der zielen21).

*•) Gods grootheid en macht blijken daaruit, dat de gansche wereld voor Hem is als de doorslag, het greintje, dat de weegschaal doet overhellen (Is. XL 15), en als de dauwdruppel, het beeld van geringheid en vergankelijkheid (Osee VI 4).

") Eene andere reden, waarom God in zijn straffen niet al zijne macht ontvouwt en de zondaars niet verdelgt: namelijk zijne barmhartigheid, die haren grond heeft juist in Gods macht. Want macht maakt grootmoedig, en omdat God almachtig is, kan Hij de verdiende straf uitstellen, daar de mensch toch niet aan zijne hand kan ontsnappen. Ier boetvaardigheid, opdat zij boete zouden doen (Rom. II 4; II Petr. III 9).

") De barmhartigheid en lankmoe¬

digheid Gods heeft haren grond ook in de liefde des Scheppers voor zijne Schepselen. Immers niet met haat: indien Gij iets hadt gehaat, zoudt Ge het niet geschapen hebben.

**) Behalve uit de schepping (v. 25) blnkt Gods liefde voor de schepselen ook hieruit, dat Hij ze voortdurend onderhoudt. Geroepen ook Is. XLI 4; XLVIII 13; Bar. III 33 volg. gebezigd voor: scheppen, in het aanzijn roepen; hier voor: onderhouden, wat eene voortgezette schepping is.

u) Eene andere reden van Gods erbarmende liefde voor de schepselen: zij zijn het eigendom van Hem, den Heer, die bij uitstek de zielen, de levende wezens, bemint; Gr.: «Minnaar des levens».

Sluiten