Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Etenim cum in operibus illius conversentur, inquirunt: et persuasum habent quoniam bona sunt qua* videntur. Rom. I 21.

8. Iterum autem nee his debet ignosci.

9. Si enim tantum potuerunt scire, ut possent aestimare saeculum: quomodo hujus Dominum non f acilius invenerunt ?

10. Infelices autem sunt, et inter rnortuos soes iilorum est. qui ap-

pellaverunt deos opera manuum hominum, aurum et argentum, artis inventionem, et similitudines animalium, aut lapidem inutilem opus manus antiquae.

11. Aut si quis artifex faber de silva lignum rectum secuerit, et hujus docte eradat omnem corticem, et arte sua usus, diligenter fabrioet vas utile in conversationem vita), Is. XLIV 12; Jer. X 3.

12. Reliquiis autem ejus operis, ad praeparatioüem escae abutatur:

13. Et reliquum horum, quod ad nullos usus facit, lignum curvum, et vorticibus plenum, sculpat dili-

7. Want terwijl zij tusschen zijne werken verkeeren, onderzoeken zij en worden verleid, omdat hetgeen

zi] zien goea ïs-j.

8. Maar van den anderen kant zijn ook zij niet te verontschuldigen.

9. Want indien zij zooveel konden te weten komen, dat ze de wereld vermochten na te vorschen; hoe vonden zij dan niet gemakkelijker8) haren Opperheer?

10. Rampzalig echter zijn zij en onder de dooden is de hoop van hen, die goden noemden het werk van menschenhanden, goud en zilver, een kunstgewrocht en afbeeldselen van dieren, of een waardeloozen steen, bewerkt door eene oude hand9).

11. Of10) als een bedreven houtwerker uit het bosch een rechten stam afzaagt en er behendig al de

schors afscnut en met xunsivaai-

digheid en zorg een nuttig voorwerp vervaardigt ten dienste des levens;

12. dan den afval van zijn werk voor het bereiden der spijzen verbruikt11),

13. en hiervan het overschot, dat voor niets bruikbaar is, een krom hout, vol knoesten, zorgvuldig be-

klassen van afgodendienaars: hen die natuurkrachten en hen die beelden (v. 10 volg.) aanbidden; de eersten zijn minder berispelijk dan de laatsten. Zij toch, «et hi enim» voor «etenim hi», wat ook het Gr. waarschijnlijk beteekent. De zin is: Zij dwalen wel, maar zoeken toch naar God; bij die van v. 10 daarentegen kan van een zoeken naar God geen sprake zijn.

*) Verkeeren, leven en dienvolgens onder den invloed van de schepselen staan, onderzoeken zij, zoeken zij naar God, en worden verleid (Gr. «door den schijn») door de voortreffelijkheid van de zichtbare dingen en houden deze voor goden.

8) Gemakkelijker is het voor het door hartstocht niet verblinde verstand den Schepper te kennen uit de schepselen dan de verschijnselen en wetten der natuur na te vorschen.

*) De natuurvergoders verdienen geen verontschuldiging, zijn dwaas (v. 1); maar zij die gewrochten van menschenhanden aanbidden, zijn rampzalig. Onder de dooden, als gestorven, nietig; men kan het Gr. ook vertalen: «op het doode is hunne hoop gevestigd», omdat zij werkeloos menschenwerk aanbidden, terwijl de eersten nog machtige, werkende elementen vereeren. Bewerkt door eene oude hand, door de voorvaderen en daarom vereerd.

") Of het een god noemen (v. 10), als enz.; v. 11 volg. toonen de dwaasheid aan van den beeldendienst door ironisch te beschrijven, hoe zulk een beeld tot stand komt. Zie Ps. CXIII 4 volg., CXXXIV 15 volg.; Is. XLIV 10 volg.; Jerem. X 2 volg.; Bar. VI 3 volg.

") Gr. voegt er bij: «en zich verzadigt» (Is. XLIV 16).

Sluiten