Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Supervacuitas enim hominum haec advenit in orbem terrarum: et ideo brevis iilorum finis est inventus.

15. Acerbo enim luctu dolens pater, cito sibi rapti filii fecit imaginem: et illum, qui tune quasi homo mortuus fuerat, nunc tamquam deum colere ccepit, et constituit inter servos suos sacra et sacrificia.

16. Deinde interveniente tempore convalescente iniqua consuetudine, hic error tamquam lex custoditus est, et tyrannorum imperio colebantür figmenta.

17. Et hos, quos in palam homines honorare non poterant propter hoe quod longe essent, e longinquo figura eorum allata, evidentem imaginem regis, quem honorare volebant, fecerunt: ut illum, qui aberat, tamquam praesentem colerent sua sollicitudine.

18. Provexit autem ad horum colturam et hos, qui ignorabant, artificis eximia diligentia.

19. Hle enim volens placere illi, qui se assumpsit, elaboravit arte sua, ut similitudinem in melius figuraret.

20. Multitudo autem hominum abducta per speciem operis, eum, qui ante tempus tamquam homo hono-

, 14. Als ijdele vinding toch van menschen kwamen ze in de wereld, en daarom is hun einde aanstaande bevonden14).

15. Een vader toch15), door bitteren rouw gekweld, maakte van een zoon, vroegtijdig hem ontrukt, eene beeltenis, en hem, die destijds als mensch gestorven was, begon hij nu als god te vereeren, en hij stelde onder zijne dienaren een eeredienst en offers in

16. Als dan, na verloop van tijd, dit goddeloos gebruik zich uitbreidde, werd deze dwaling als wet onderhouden, en op bevel van heerschers aanbad men de beelden.

17. En van degenen16), die de menschen niet in hun bijzijn konden huldigen, omdat zij zich veraf bevonden, werd van verre de afbeelding overgebracht en zij vervaardigden eene gelijkende beeltenis van den koning, dien zij wilden eeren, om hem, die afwezig was, als aanwezig te verheerlijken in hun ijver.

18. Ook dreef tot dezer vereering zelfs hen, die onkundig waren, des kunstenaars uitmuntende vlijt17).

19. Deze toch willende behagen aan die hem de opdracht had gegeven18), zwoegde met zijn talent om de gelijkenis schooner uit te beelden.

20. De menigte nu, verlokt door de schoonheid van het werk, hield

I hem, die eene wijl geleden als een

") Gr.: Door ijdelen waan der menschen kwamen se (de afgoden) in de wereld. In navolging van het Gr. gebruikt Vuig. het enkelvoud: «advenit», ofschoon «idola» onderwerp is, als blijkt uit het tweede verslid; eenige handschriften lezen: «adinvenit»: ijdele waan vond ze uit. De afgoden komen door dwaasheid tot stand, daarom (Gr.) «is hun spoedig einde besloten»; zie noot 11.

") Voorbeelden van den dwazen oorSprong der afgodsbeelden. De schrijver leidt de afgoderij niet af uit de doodenvereering, want hij spreekt niet over het ontstaan van het veelgoden-

[ dom en de afzonderlijke godheden (dit deed hij XIII 2), maar toont met eenige ! voorbeelden aan, hoe afgodsbeelden I ontstaan zijn, o. a. uit bovenmatige I smart over den vroegtijdigen dood van een geliefd kind.

") Soms ook kwam een afgodsbeeld tot stand door de zueht der onderdanen om hun vorst te vleien. ") Ook de schoonheid van een beeld I was dikwijls oorzaak van afgodische vereering, namelijk bij onkundigen, die niet wisten wiens beeltenis het was (v. 17). ") Gr.: aan den vorst.

I

I

Sluiten