Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dering van Simon's luistervol optreden verraadt dat het met dien luister en met den ijver voor den godsdienst gedaan was. Er waren tijden gekomen van druk en nood. Daarvan getuigt zijn roerend smeeklied om bevrqding en herstel van Israël (XXXVI 1—19); daarvan getuigt ook de in hare kortheid zoo welsprekende bede, waarmede hij L 26 (naar den herstelden Hebreeuwschen tekst; zie L noot 11) de epiloog op den lof der vaderen besluit: «Gestadig zij met zijn volk zijne liefde, en in zijne dagen redde Hij ons». Naar allen schijn valt de oorsprong van ons boek in de regeering van den beruchten Antiochus IV, in de dagen van Jason of Menelaüs (zie boven), niet lang dus na het jaar 175 v. Chr.

In dien voor het volk Gods zoo droevigen tijd was het voor de getrouwe Israëlieten méér dan ooit zaak, steeds de Wet voor oogen te houden, in hun geschiedboeken het verhaal te lezen van de groote dingen, welke de God des Verbonds in den loop der eeuwen voor zijn volk had gedaan, en troost en moed te putten uit de geschriften der profeten, die met zooveel beslistheid het naderend uur der verlossing voorspelden. Tot de getrouwen, die dit deden, behoorde Jesus Sirachzoon. Naar ons zijn kleinzoon in de Voorrede verzekert, «legde hij zich ijverig toe op het lezen van de Wet, de profeten en de andere door de vaderen overgeleverde boeken»1), totdat hij, door Gods Geest gedreven, besloot ook zelf iets te schrijven «wat kon strekken tot wijsheid en tucht*. Aan gelegenheid om wijsheid op te doen en zich in tucht te oefenen had het hem niet ontbroken. Naar hq zelf toch nadrukkelijk zegt of niet onduidelijk te verstaan geeft, had hq' in zijn brandenden dorst naar wqsheid (LI 18) vele vreemde landen doorkruist, ten einde te onderzoeken wat er goeds en kwaads onder de menschen was (XXXIX 5). Was hij zoodoende met allerlei slag en stand van menschen in aanraking gekomen, bij voorkeur had hij toch met de groeten der aarde omgang gezocht en gevonden en blqkbaar werd hij door velen dezer als raadgever gewaardeerd en geëerd (XI 1, XX 29, 39. XXXH 13, XXXVIII 3, XXXIX 4). Brandend van liefde voor Israël gebruikte hij den zoo verkregen invloed zeker zooveel mogelijk tot leniging van den nood van zqn volk, dat ook vóór de komst van Antiochus IV op den troon van Syrië zeer zwaar beproefd werd. Maar daarbij geraakte hij, vermoedelijk door hofintriges, waaraan zqn tijd bijzonder rqk was, in groote moeielqkheden en kwam hij zelfs in het grootste levensgevaar, waaraan hij alleen door Gods hulp ontrukt werd (LI 1—17). Wat vervolging hij echter te verduren had en wat ellende hij over zqn volk zag komen, steeds wist hij zqn vertrouwen op zijn God en den God zqn volks te bewaren En met en door dat vertrouwen op God behield hq ook ondanks alle leed en beproeving de hem eigene blijmoedigheid van geest, die gezonde levensvreugd, waarvan zqn werk op zoo vele plaatsen getuigt (zie b. v. XIV 11—17, XXXI 1—36, XXXH 7, 8, XL 20). Zoo werd de

') Zijne groote belezenheid in de Schrift blijkt voldoende hieruit, dat alleen in het teruggevonden gedeelte van den grondtekst van zijn werk niet minder dan 367 plaatsen kunnen worden aangewezen, in welke hij woorden en uitdrukkingen aan de Schrift ontleent.

Sluiten