Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

biles in camino humiliatie-nis. Sap. III 6.

6. Crede Deo, et reeuperabit te: et dirige viam tuam, et spera in illum. Serva timorem illius, et in illo veterasce.

7. Metuentes Dominum sustinete miserioordiam ejus: et non deflectatis ab illo ne cadatis.

8. Qui timetis Dominum, credite illi: et non evacuabitur merees vestra.

9. Qui timetis Dominum, sperate in illum: et in oblectationem veniet vobis misericordia.

10. Qui timetis Dominum diligite illum, et illuminabuntur corda vestra.

11. Kespicite filii nationes hominum: et scitote quia nullus speravit in Domino, et confusus est.

12. Quis enim permansit in mandatis ejus, et derelictus est? aut quis invocavit eum, et despexit illum? Ps. XXXI.

13. Quoniam pius et misericors est Deus, et remittet in die tribulationis peccata: et protector est omnibus exquirentibus se in veritate.

14. Vae dupliei corde, et labiis scelestis, et manibus malefacientibus, et peccatori terram ingredienti duabus viis. III Reg. XVIII21.

gevallige5) menschen in den oven der vernedering.

6. Betrouw op God en Hij zal u weder aannemen6), en maak recht uwen weg en hoop op Hem. [Bewaar zijne vreeze en word oud in haar.]

7. ^ Gij, die den Heer vreest, verbeidt zijne ontferming en wijkt niet af [van Hem], opdat gij niet valt7).

8. Gij, die den Heer vreest, gelooft in Hem, en uw loon zal niet te loor gaan

9. Gij, die den Heer vreest, hoopt op Hem, en ter verblijding, zal u geworden ontferming8).

10. [Gij, die den Heer vreest, bemint Hem, en uwe harten zullen verlicht worden'). ]

11. Laat, kinderen, uwe oogen gaan over de geslachten [der menschen10)] eh overtuigt u, dat niemand heeft gehoopt op den Heer en te schande werd.

12. Wie toch heeft volhard in zijne geboden en werd verlaten ? of wie heeft Hem aangeroepen en zag zich door Hem versmaad?

18. _ Want goedertieren en barmhartig is God, en Hij zal op den dag der verdrukking vergeven de zonden11); [en een beschermer is Hij voor allen, die Hem zoeken in waarheid.] 14. Wee") over den dubbelhartige [en de boosaardige lippen] en de misdadige handen en den zondaar, die [op de aarde] twee wegen bewandelt18).

*) De Oode welgevallige; zie Tob. j v. 18 sprake. XII 13; Prov. XVII 3; Sap. III 6. ») Gr. heeft: «over de voormaliqe

") In uw vorigen staat. Gr.: «en [ geslachten». Hn zal zich uwer aantrekken». ") Naar Gr.: «en Hij vergeeft de zon-

' _s*r°Pfte 11 (v- 7—13): vertrouwt den en redt ten dage der verdrukking» op God, en gij zult niet beschaamd ") Strophe Hf (v. 14—22) plaatst worden, gelijk het verleden leert en tegenover elkander het lot van de ongeGods goedheid doet verwachten. loovigen en het vertrouwen op God der-

) Naar eene verbeterde lezing van venden en dat van de godvreezenden. Die

<jr.: « hoopt op het goede en op tegenstelling komt in Gr. duidelijk uit in

duurzame vreugd en ontferming». drie met Wee en drie mat de Godvreezen-

) Dit vers schijnt te zijn toegevoegd \ den beginnende verzen. De Vulgaat heeft door iemand, die na de verzen over het v. 14 en 16 eenige toevoegsels en brengt geloof en de hoop nog de vermelding aan het slot nog een vierde vers beginder derde goddelijke deugdmoodig ooi-- nénde met Qui timent Dominum. deelde. Van de hef de is intusschen eerst 1 ") Naar Gr.: «Wee ove» de ver-

Sluiten