Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et ministri ejus: et qualis rector est civitatis, tales et inhabitantes in ea. Prov. XXIX 12.

3. Rex insipiens perdet populum suum: et civitates inhabitabuntur per sensum potentium. III Reg. XII13.

4. In manu Dei potestas terra?: et utilem rectorem suscitabit in tempus super illam.

5. In manu Dei prosperitas hominis, et super faciem scriba? imponet honorem suum.

6. Omnis injuria? proximi ne memineris, et nihil agas in operibus injuria?. Lev. XIX 13.

7. Odibilis coram Deo est et hominibus superbia: et exsecrabilis omnis iniquitas gentium.

8. Regnum a gente in gentem transfertur propter injustitias, et injurias, et contumelias, et diversos dolos. Dan. IV 14.

9. Avaro autem nihil est seclestius. Quid superbit terra et cinis?

*) Vgl. het Latijnsche spreekwoord: Regis ad exemplum totus componitur orbis.

*) Indien ten minste de onderdanen een goed vorst verdienen.

*) Hebr. beter: «In Jahwe's hand ligt het geluk des menschen, en aan den vorst geeft Hij zijne eer». Het tweede verslid verduidelijkt het eerste: In Gods hand ligt het, aan een mensch geluk te geven, d. i. hem te verheffen, tot vorst te maken. — Er volgt nu (v. 6—23) eene waarschuwing tegen hoovaardij cn trotschheid, zich voornamelijk richtend tot de oversten, omdat juist zij zoo zeer gevaar loopen trotsch en hoovaardig te worden.

&) D. i. en doe zelf aan anderen geen onrecht aan. Hebr. heeft echter: «en wandel niet op den weg der trotschheid». Wie machtig is en daarbij trotsch, laat geen vergrijp ongewroken. De vorst

tuut» zien uaarom meer aan anderen toe- i leggen op nederigheid en lijdzaamheid.

* Hebr.: «en voor beide (God en de menschen) is de verdrukking een woord- |

I zoo zijn ook zijne dienaren, en ge-

üjK üe bestuurder eener stad is, zoo zijn ook hare inwoners*).

3. De onwijze koning is tot verderf zijns volks, maar steden worden volkrijk door de verstandigheid der heerschers.

4. In de hand Gods ligt de heerschappij over een land, en op tijd stelt Hij er een goed bestuurder

over aan9).

5. In de hand Gods ligt de voorspoed des menschen, en op den wetgeleerde legt Hij zijn aanzien4).

6. Wat ook voor onrecht de naaste u aandoet, gedenk het niet, en bemoei u niet met de werken des onrechts6).

7. Gehaat bij God en de menschen is de hoovaardij, en een gruwel alle onrechtvaardigheid der volken6).

8. De heerschappij gaat over van het ééne volk op het andere wegens ongerechtigheden en verongelijkingen en verdrukkingen7) [en allerlei bedrog].

9. [Niets echter is misdadiger dan een gierigaard.] Wat verheft zich stof en asch8) ?

breuk». Wanneer machthebbers hunne macht misbruiken tot verdrukking van anderen, dan gelden zij bij God en mensch als meineedigen, omdat zij zioh stilzwijgend of uitdrukkelijk verplicht hebben tot eene rechtvaardige regeering.

') Naar Hebr., met behulp van Gr. en Syr. verbeterd: «wegens geweldenarij, trotschheid en geld». De heerschzucht en gouddorst der machthebbers veroorzaken dikwerf omwentelingen, ten gevolge waarvan zij hunne heerschappij verliezen en op anderen zien overgaan.

8) In Hebr. beantwoorden aan v. 9—13 drie tweeledige verzen, even klaar als bondig en schoon; zij luiden goed gelezen: «Wat verheft zich stof en asch? Want in zijn leven werpt sijn lichaam ze uit. Een gefluister (sjemets; vgl. Job. IV 12, XXVI 4) van stekte — de geneesheer is. blijde, en — heden koning en morgen dood! Wanneer de mensch sterft, verkrijgt hij als bezit rotting en maden, ongedierte en wormen». De zin is duidelijk: Hoe kan de uit stof en asch bestaande mensch zich

26

Sluiten