Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31. Non omnem hominem inducas I in domum tuam; multas enim sunt j insidiaB dolosi.

32. Sicut enim eructant praecordia foetentium, et sicut perdix inducitur in caveam, et ut caprea inlaqueum: sic et cor superborum, et sicut prospector videns casum proximi sui.

33. Bona enim in mala convertens insidiatur, et in electis imponet maculam.

34. A scintilla una augetur ignis, et ab uno doloso augetur sanguis; homo vero peccator sanguini insidiatur.

81. Leid niet een ieder uw huis binnen; want veelvuldig zijn de lagen eens arglistigen.

32. [Want gelijk een bedorven maag oprispt, en] gelijk een veldhoen gelokt wordt in de kooi [en gelijk eene wilde geit in den strik], zoo is [ook] het hart der overmoedigen, en als een verspieder, die loert op het verderf [van zijn evenmensch29)].

33. Want arglistig maakt hij goed tot kwaad, en op de besten werpt hij blaam80).

34. Uit ééne vonk ontstaat een groot vuur, [zoo doet één arglistige

j het bloed stroomen] en een zondig 1 mensch loert op bloed81).

van Hebr. — Er volgen v. 3—XII 19 •verschillende aansporingen tot voorzichtigheid. De eerste (v. 31—36) wekt op tot voorzichtigheid in de keuze van huisvrienden.

") Dit ook in grondtekst en andere vertalingen door glossen zeer ontsierde vers schijnt oorspronkelijk te hebben geluid: «Als een gevangen veldhoen m de kooi is het hart van den overmoedige, en als een verspieder, die het zwakke punt verkent». De zin is duidelijk: De overmoedige, die uw huis betreedt, is als een veldhoen, dat in de kooi gezet andere hoenders in den strik moet lokken, en als een verspieder, die uitziet of en waar de vijand zich bloot geeft. Naar den nog ongeschonden tekst van Hebr. is blijkbaar de tekst van Gr., wel niet letterlijk, maar toch naar den zin volkomen ]tdst vertaald. Op een reeds verschreven tekst van Hebr. wijst echter de vertolking van gr., naar welke de Latijnsche vertaling werd herzien. Voor als een gevangen veldhoen in de kooi las de vertolker: «gelijk een veldhoen getokt wordt in de kooi». Door die veranderde zinwending was de oorspronkelijk duidelijke beeldspraak verduisterd. Een glossator meende de plaats te kunnen ophelderen door toevoeging van andere beelden, uitgedrukt in zinnen, naar den vorm aan den verschreven zin gelijk. Een dier toevoegsels luidde, naar Syr. doet vermoeden: «gelijk een hond in elk huis inloopt»; een tweede, naar de Vulgaat: «en gelijk eene wilde geit in den strik». Andere toevoegsels, in Hebr. voorkomend, kunnen hier buiten bespreking

blijven. Naar allen schijn wilde de glossator zqn tekst aldus verstaan hebben: Gelijk een in een huis geloopen hond en een in de kooi gelokt veldhoen en eene in den strik gevangen wilde geit veel beweging maken en opschudding veroorzaken, zoo zet de overmoedige eens anders huis in rep en roer. Het eerste der twee genoemde toevoegsels nu zal Hebr. hebben geluid: mabkiiim el beth kelabim», d. i. (gelijk) honden in een huis invallen. De maker van gr. las dit verkeerd als: «mabbijim libbotti kelabim», en vertaalde: «(hós) ereugetai splangchna kynön», d. w. z. (gelijk) de ingewanden (de maag) van (gulzige) honden braken». Aanstoot nemend aan dit onsmakelijke beeld, verving iemand kynón door «engkyön». De zin werd daardoor geheel anders, schoon niet veel fijner: «(gelijk) de ingewanden van zwangeren baren». Dien tekst vertolkte de Latijnsche vertaler juist met: «(sicut) eructant praecordia fcetantium», naar de beste handschriften der Vetus Latina te lezen geven. Door verscnrij| ving werd het laatste woord tot «foetentium», d. i. van slecht riekenden. Menochius teekent op de zoo verschreven glosse aan: «Quemadmodum ebru orapulae fcetidos anhelitus exhalant, ita corda superborum superba, iniunosa, iniusta». , . ..

30) Naar Hebr.: «Goeds verdraait de oorblazer tot kwaad en onder de (door u) beminden maakt hij eene samenzwering». In de Vulgaat komt niet voldoende uit, dat hier sprake is van een in huis toegelaten arglistige. I al) Hebr.: «Door ééne vonk (komen)

Sluiten