Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XXVHI.

HOOFDSTUK XXVIII.

Veroordeeling van wraakzucht fv. 1—9), twistzucht (v. 10—14), oorblazerij en twiststokerij (v. 15—30).

1. Qui vindicari vult, a Domino inveniet vindictam, et peccata illius servans servabit. Deut. XXXII 96; Matth. VI14; Mare. XI 25; Som. XII19.

2. Relinque proximo tuo nocenti te: et tune deprecanti tibi peccata solventur.

3. Homo homini reservat iram, et a Deo quaerit medelam?

4. In hominem similem sibi non habet misericordiam, et de peecatis suis deprecatur?

5. Ipse cum caro sit, reservat iram, et propitiationem petit a Deo? quis exorabit pro deliotis illius?

6. Memento novissimorum, et desine inimicari.

7. Tabitudo enim et mors imminent in mandatis ejus.

8. Memorare timorem Dei, et non irascaris proximo.

9. Memorare testamentum Altissimi, et despice ignorantiam proximi.

10. Abstine peccata:

te a lite, et minues

') Niet vergeven en vergeten. De bq den Latijnschen tekst aangehaalde plaatsen van het N. T. bevestigen 's Heeren woord (Matth. V 17), dat Hij gekomen is, niet, om de Wet te niet te doen, maar om ze te vervullen.

') Vgl. Luc. VI 37, 38; Hebr. X 30.

) Genezing van de wonden, door de zonde veroorzaakt

.*) Zelf onwaardig om van God vergiffenis van zonden te verkrijgen, vindt de wraaklustige ook niemand, die voor hem kwijtschelding vraagt.

*) Men verklaart dtfchalf vers in dien Zin, dat God in zijne geboden de wraakzuchtigen met dood en bederf bedreigt De tekst is zeker bedorven. Naar Gr.

1. Wie op wraak belust is, zal van den Heer wraak beloopen, en Hij zal zijne zonden zorgvuldig opsparen1).

2. Vergeef uwen naaste, zoo hij u kwaad deed; dan zullen u op uwe bede de zonden vergeven worden.2)

3. Een mensch blijft toornen tegen een mensch — en van God vraagt hij genezing?8)

4. Jegens een mensch, die zijns gelijke is, heeft hij geene ontferming — en voor zijne eigen zonden vraagt hij vergiffenis?

5. ' Hij, schoon hij vleesch is, spaart de wrake op [en vraagt vergiffenis van God]; wie zal vergiffenis verwerven voor zijne zonden?4)

6. Wees de uiterste dingen indachtig, en laat af van uwe vijandschap;

7. want bederf en dood dreigen ia zijne geboden3).

8. Wees de vreeze Gods indachtig, en koester geene gramschap tegen den naaste.

9. Wees het verbond van den Allerhoogste indachtig, en tel de enwetendheid [van den naaste] niet6).

10. Onthoud u van twist, en gij zult de zonden verminderen7).

lulden dan ook v. 6 en 7 (één vers): «Wees indachtig de uiterste dingen en houd op vijandig te zijn; (wees indachtig) verderf en dood en blijf trouw aan de geboden». Ook in v. 9 a verzwijgt Gr. mnêsthêti (wees indachtig). Vermoedelijk luidde de Latijnsche tekst oorspronkelijk: «(Memento) tabitudinem et mortem et mane in mandatis».

*) Het verbond des Allerhoogsten, d. i. Gods wet, die de wraak verbiedt; zie Lev. XIX 18. De onwetendheid, het onrecht, dat de naaste u onwetend aandeed. — Op de waarschuwing te^en wraaklust volgt v. 10—14 eene vermaning der twistzieken.

*) D. i. zelf minder zonden begaan

ï

Sluiten