Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

CAPÜT XXXI.

HOOFDSTUK XXXI.

Wat men moét vermijden om de gezondheid te bewaren, vervolg (v. 1, 2). Rijkdom is aoed, maar gevaarlijk. Gelukkig de rijke, die rechtvaardig blijft fv 3—11) Hoe zich te gedragen bij gastmalen. Bedien u bescheiden, gedraag u welvoeglijk en wees matig (v. 12-25). Gulle en karige gastheeren (v. 26—29). Matig en onmatig drinken van wijn (v. 30—40). Vermijd bij een drinkgelag allen twist (v. 41, 42).

1. Vigilia honestatis tabefaciet car- J nes, et cogitatus illius auferetr somnum.

2. ' Cogitatus praescientiffl avertit sensum, et infirmitas gravis sobriam facit animam.

3. Laboravit dives in congregatione substantia?, et in requie sua replebitur bonis suis.

4. Laboravit pauper in diminutione victus, et in fine inops fit.

5. Qui aurum diligit, non justificabitur: et qui insequitur consumptionem, replebitur ex ea.

6. Multi dati sunt in auri casus, et facta est in specie ipsius perditio iilorum. Supra VIII 3.

1. Nachtwaken om rijkdom doet het vleesch kwijnen, en bekommernis daarover beneemt den slaap.

2. Gepeins over voorgevoel doet het verstand dwalen, en eene zware ziekte maakt de ziel sober1).

3. De rijke slooft zich af voor het verzamelen van vermogen, en als hij zijne rust heeft, wordt hij verzadigd van zqn goed.

4. De arme slooft zich af voor een karig bestaan, en aan het ein-

\HAt hfl nntheriner.

5. Wie het goud mint, wordt niet gerechtig, en wie het verderf najaagt, wordt er mede overstelpt3).

6. Velen kwamen door het goud ten val, en bereid werd [door zijne schittering] hun ondergang*).

») In de Vulgaat ten deele zeer duister, laten v. 1 en 2 ook in den grondtekst en de vertalingen te wenschen over. Naar Hebr., met behulp van Gr. en Syr. verbeterd, zal men mogen lezen: «Het nachtwaken van den rijke doet zijn vleesch kwijnen, en zijne zorg verdrijft den slaap. De zorg voor het vermogen doet vluchten den sluimer, gelijk de slaap verdrijft eene zware ziekte», of: «gelijk eene zware ziekte den slaap verdrijft». Het verspaar vormt de tegenstelling tot XXX 27. In den tekst der Vulgaat beteekent honestas (v. 1) gelijk XI 14 en elders «rijkdom». Het ook in onze vertalmg nauwelijks begrijpelijke cogitatus praescientiae (v. 2) berust blijkens sommige handschriften der Itala op verschrijving. Voor praescientiae leest men daar «prassentia?», min gelukkige wedergave van den Griekschen term paroysias, hier in den zin van «vermogen» gebezigd. Sensum voor «somnum» werd

vermoedelijk veroorzaakt door verwisseling van teboenah (verstand) en tenoemah (sluimer). — De volgende strophe (v. 3—11) behandelt eene nieuwe stof, de geneugten van den rijkdom en de daaruit voortkomende zedelijke gevaren Hoog te prijzen is de rijke, die zich niet bezondigt.

a) Naar Hebr. en Gr.: «en als hij zijne rust heeft», gelijk in v. 3 ft.

*) Hebr.: «en wie schatten najaagt, dwaalt daardoor af», komt in zonde. De lezing der Vulgaat qui insequitur consumptionem berust op verschrijving van Gr.: diaphthoran (verderf) voor «diaphora» (schatten, vermogen).

«) Ten deele naar Gr. en ten deele naar Hebr.: «Velen waren er, die ten val kwamen door het goud (eis ptóma charin chrysioy; in het handschrift van den Latijnschen vertolker was charin uitgevallen, en zoo vertaalde hq «in auri casus»); en hun ondergang stond voor hun aangezicht», d. 1. ofschoon

I

Sluiten