Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Lignum offensionis est aurum sacrificantium: vae illis, qui sectantur illud, et omnis imprudens deperiet in illo.

8. Beatus dives, qui invehtus est sine macula: et qui post aurum non abiit, nee speravit in pecunia, èt thesauris.

9. Quis est hic, et laudabimus eum? fecit enim mirabilia in vita sua.

10. Qui probatus est in illo, et perfectus est, erit illi gloria aeterna, qui potuit transgredi, et non est transgressus: faoere mala, et non fecit:

11. Ideo stabilita sunt bona illius in Domino, et eleemosynas illius enarrabit omnis Ecclesia sanctorum.

12. Supra mensam magnam sedisti? non aperias super illam faucem tuam prior.

13. Non dicas sic: Multa sunt, quae super illam sunt:

14. Memento quoniam malus est oculus nequam.

15. Nequius oculo quid ereatum est? ideo ab omni facie sua lacrymabitur: cum viderit.

«ij hunnen val hadden kunnen voorzien. Voor in specie ipsius had de Itala oorspronkelijk terecht «in facie ipsius».

*) Lees naar Hebr.: Een val is het (het goud) voor den dwaas; en ieder onwijze laat er zich in vangen». De zinsnede wee hun enz. schijnt andere vertaling van de voorafgaande.

") Voor de rijke, naar het zinverband zeker oorspronkelijk, hebben Hebr. en sommige Latijnsche handschriften: «de man». In de Latijnsche handschriften zei de lezing vir veroorzaakt zijn doordat onze plaats, in het kerkelijk officie dikwerf als aanhef eener lectio gebezigd, daar overeenkomstig de behoefte van het officie begint met: «Beatus vir». Voor het goud heeft Hebr.: «den mammon».

') Heb*».: «onder zijn volk»,

e) Slechts weinigen bezwijken niet

voor de verleiding van den rijkdom.

Overeenkomstig Hebr. en Gr. is de

7. Een struikelblok is het [goud] voor wie het huldigen; [wee hun, die er naar streven;] en ieder onwijze komt er door ten val5).

8. Gelukkig de rijke, die onbevlekt werd bevonden, en die het goud niet najoeg6! [, en zijne hoop niet stelde op geld en schatten].

9. Wie is hij, opdat wij hem prijzen? Want bii deed wonderbare dingen in zijn leven1).

10. Wie werd daardoor beproefd en werd volmaakt bevonden8) ? Hem zal [eeuwige] eere geworden. Wie kon zondigen en zondigde niet? kwaad doen en deed het niet?

11. Daarom staat vast zijn geluk [in den Heer], en van zijne aalmoezen zal gewagen de [gansche] gemeente [der heiligen9)].

12. Hebt gij plaats genomen aan eene groote tafel? Spor dan niet [het eerst] over haar den mond open10)

13. Spreek niet aldus: Wat staat er veel op!

14. Bedenk dat een boos oog kwaad is11).

15. Wat is er boozer in de schepping dan het oog? Daarom stört bet tranen over het gansche aangezicht12). Als hij den blik op iets vestigt,

zin, evenals die van het tweede verslid, als vraag bedoeld. Qui wordt ook in de beteekenis van quis gebezigd.

•) Van zijne aalmoezen wijst op het Hebr. naamwoord tsedaköth, hetwelk gemeenlijk «gerechtigheid» beteekent. — Tot een nieuw onderwerp overgaande, geeft Sirachzoon verschillende lessen van welvoeglijkheid bij gastmalen en wijngelagen. In de eerste strophe (v. 12—19) beveelt hij bescheidenheid bij het zich bedienen aan.

") Hebr.: «Zoo gij aanzit aan den disch van een groote, rek dan niet uwen hals daarnaar uit», d. i. toon u niet al te begeerig. Hetzelfde wil ook de Vulgaat zeggen.

ll) Een boos oog is het oog van den misgunstige. Hogelijk zijn er onder de dischgenooten misgunstigen, die het u kwalijk zullen nemen, zoo gij u onbescheiden bedient.

") Hebr. en Gr.: «daarom traant

Sluiten