Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27. In omni opere tuo crede ex fide animas tua): hoe est enim conservatio mandatorum.

28. Qui credit Deo, attendit mandatis: et qui confidit in illo, non minorabitur.

27. In al uw doen volg [getrouw] uw geweten; want dat heet de geboden onderhouden.

28. Wie aan God gelooft, acht op de geboden; en wie op Hem vertrouwt, zal geen schade lijden1*).

CAPUT XXXIII.

HOOFDSTUK XXXIH.

Verschil tusschen godvreeeenden en goddeloozen, vervolg (v. 1—6). Door God, die tusschen dagen en dagen en tusschen menschen en menschen scheiding maakt, is de schrijver geroepen om wijsheid te leeren (v. 7—19). Dat huisvaders gezag en vermogen niet uit de handen moeten geven (v. 20—24). Hoe zij de slaven moeten behandelen fv. 26—SS).

1. Timenti Dominum non occurrent mala, sed in tentatione Deus illum conservabit, et liberabit a malis.

2. Sapiens non odit mandata et justitias, et non illidetur quasi in procella navis.

3. Homo sensatus credit legi Dei, et lex illi fidelis.

den male aan eene onderneming, die n reeds ten val bracht. Maar laat u van den anderen kant ook niet tot dingen verlokken, die al te gemakkelijk lijken. Wees in een woord bij al wat gij doet behoedzaam.

») Vs. 28—XXXIH 6 voltooit de schrijver zijne verhandeling over het onderscheid tusschen godvreezenden en goddeloozen. Naar Hebr. luidt v. 28: «Wie de Wet onderhoudt, acht op zich zelf, en wie op Jahwe vertrouwt, lijdt geen gebrek».

*) Vs. 1 schijnt in geen enkelen tekst ongerept. Naar Hebr., met behulp van Gr.: aangevuld, zal het moeten luiden: «Wie Jahwe vreest, dien treft geen on^ heil; want in de beproeving redt Hij hem weder». De zin is: De godvreezende wordt nooit geheel ongelukkig; want hoe zwaar hij ook beproefd worde, God redt hem op het laatst steeds uit den nood.

2) De Vulgaat trof hier niet den oorspronkelijken zin. Lees ten deele naar Hebr. en ten deele naar Gr.: «Wie de

t. Wie den Heer vreest, dien treft geen onheil; maar in de beproeving behoedt Hij [God] hem [en verlost hem van het booze1)].

2. De wijze haat niet de wetten en de geboden, en hij wordt niet rondgeslingerd als een schip in den storm2).

3. De wijze mensch gelooft aan de wet [Gods], en de wet is hem getrouw8).

Wet haat, is niet wijs en wordt rondgeslingerd als een schip in den storm».

3\ Von Hit Trora Inirit nnnr TTfthr.

het eerste lid: «De wijze man geeft acht op (onderhoudt) het woord». Daar de aanhef van het onvolledige tweede lid begint met: «en zijne wet» (oe-teröthö), viel achter woord vermoedelijk uit: «van Jahwe». Van het tweede lid bleef behalve genoemden aanhef niets over dan drié letters: de twee eerste (kaph en aleph) van het volgende en ééne onduidelijke (mogelijk een waw) van het daarop, volgende woord. Gr. bevat de gegevens om het ontbrekende aan te vullen. Daar luidt v. 3 b naar de meeste en beste handschriften: «kai ho nomos aytêi pistos hos erótêma dêlön», d. i. naar het spraakgebruik der Septuagint: «en de Wet is hem getrouw als het orakel (woordelijk: de vraag) oerim». Met dêlön toch geeft de Septuagint steeds het Hebr. ha-oerim weder. Het is dus zoo goed als zeker, dat de kaph en de aleph een overblijfsel zijn van ka-oerim. Orakel schijnt een verklarend toevoegsel. In zijn geheel zal het halfvers ge-

Sluiten