Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Cogitationes eorum, et timores j cordis, adinventio exspectationis, et dies finitionis:

3. A residente super sedem gloriosam, usque ad humiliatum in terra et cinere:

4. Ab eo, qui utitur byacintho, et portat coronam, usque ad eum, qui operitur lino crudo: furor, zelus, tumultus, fluctuatio, et timor mortis, iracundia perseverans et contentio,

5. Et in tempore refectionis in cubili somnus noctis immutat seien- |

tiam ejus.

6. Modicum tamquam nihil in requie, et ab eo in somnis, quasi in die respectus.

7. Conturbatus est in visu cordis sui, tamquam qui evaserit in die belli. In tempore salutis suas exsurrexit, et admirans ad nullum timorem:

8. Cum omni carne, ab homine usque ad pecus, et super peccatores septuplum.

9. Ad haec mors, sanguis, contentio,

verhandeling (v. 1—XLII 8) is de ellende der menschen, met name der zondaren. Zij bestaat uit 8 strophenparen, waarvan het eerste en het tweede door een beurtzang gevolgd worden. Strophe I (v. 1—7; Hebr. 10 zesvoeters) is eene klacht over de ellende der menschen in het algemeen; tegenstrophe I (v. 8—17) betoogt dat de ellende der zondaren zevenvoudig is, terwijl het leed der rechtvaardigen door hun geloof en hunne vroomheid verzacht wordt. — Naar Hebr. met geringe verbetering luidt v. la: «Groote ellende heeft God toebedeeld, en een zwaar juk den kinderen van Adam». In hetgeen volgt heeft Hebr. voor huns en hunner «zijns» en «zijner». _

*) Gr. doet vermoeden dat dit in Hebr. uitgevallen vers oorspronkelijk luidde: «Zijn denken is vreeze der ziel en wat hem te wachten staat: de dag zijns doods».

') Hebr.: «Van hem af, die tulband

2. Hun denken en hun duchten des harten gaat op in de vraag naar hetgeen te wachten staat en den dag van het uiteinde2).

3. Van hem, die in heerlijkheid troont, tot hem, die werd vernederd tot in stof en asch;

4. van hem, die zich kleedt in purper en de kroon draagt, tot hem, die zich dekt met grof linnen8): 'tis gramschap, ijverzucht, verwarring, wankelmoedigheid en vrees voor den dood, [gestadig] toornen en gekijf-);

5. en ten tijde der rust op de legerstede verstoort de nachtelijke slaap zijn bewustzijn.

6. Weinig of geen rust vindt hij, en daarna is bij in den slaap als op een dag van op wacht staan.

7. Ontzetting vervult hem bij de visi-

ontkwam op den dag van den veldslag. Op het oogenblik zijner redding ontwaakt hij, en hij verwondert zich over zijne ijdele vrees5).

8. Zoo is het met alle vleesch, van mensch tdt vee, maar over de zondaren komt het zevenmaal zoo veel.

9. [Daarbij komen nog] pest, moord.

(mitsnephet) en plaat (tsits) draagt (bedoeld is de hoofdbedekking des hoogepriesters, zie Exod. XXVIII noot 26), tot hem, die met een kleed van vellen gedekt is». *i Naar Hebr. met geringe verbete¬

ring: «'< is niets dan ijverzucht, zorg en schrik, vrees voor den dood, twist en strijd».

5) Het prachtig slot der strophe moet naar Hebr. in zijn geheel vermoedelijk als volgt luiden: «En als hij rust op I zijn bed, verwart de nachtelijke slaap I zijn bewustzijn. Om een weinig te rusI ten legt hij zich als geen tijd (slechts J eene korte wijle) neder, maar ook dan wordt hij door droomen verschrikt. Hij wordt beangst over de visioenen zijner ziel, gelijk een vluchteling, die den vervolger vlucht. Als hij roept, ontwaakt hij uit den slaap, ea zijn visioen verdwijnt tot niets». Zoo is de mensch zelfs gedurende zijne nachtrust I niet van lijden vrij.

Sluiten