Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Filiorum peccatorum periet hereditas, At cum semine iilorum assiduitas opprobrii.

10. De patre impio queruntur filii, quoniam propter illum sunt in opprobrio.

11. Va? vobis viri impii, qui dereliquistis legem Domini Altissimi.

12. Et si nati fueritis, in maledidiotione nascemini: et si mortui fueritis, in malediotione erit pars vestra.

13. Omnia, quas de terra sunt, in terram convertentur: sic impii a maledicto in perditionem. Supra XL 11.

14. Luctus hominum in corpore ipsorum, nomen autem impiorum delebitur.

15. Curam habe de bononomine: hoe enim magis permanebit tibi, quam mille thesauri pretiosi et magni.

16. Bona? vita? numerus dierum: bonum autem nomen permanebit in a?vum.

lelisme met v. 8a. In Hebr. is het vers onvolledig, maar de overblijfselen doen vermoeden dat het luidde: «Een verachtelijk geslacht zijn de kinderen der boozen, en een dwaze stam is het kroost der goddeloozen».

') Naar Hebr. vermoedelijk: «Den zoon der boosheid zal de macht worden ontnomen, maar ook op zijn zaad zal de schande kleven».

*) Er viel hier, ook in Gr., een gedeelte (4 halfverzen) uit, gelijk reeds en in den aanhef verraadt. Lees naar Hebr. met de noodige verbeteringen: «Wanneer gij kinderen teelt, dan is het ten nadeel, en zoo gij zonen gewint, dan gewint gij hen voor de ellende; wanneer gij struikelt, dan verblijdt zich de wereld, en wanneer gij sterft, dan is vervloeking uw deel».

•) Met de nieuwe gedachte van den beurtzang begint hier ook de nieuwe maat (zie noot 5). Naar Hebr. luidt het vers: «Al wat uit het niets (cepher, dat «asch» beteekent, maar figuurlijk ook «niets», zie Is. XLIV 20) is, keert

9. Van de zonen der zondaars gaat het erfdeel teniet, en aan hun geslacht kleeft eeuwige schande7).

10. Over een goddeloozen vader beklagen zich de kinderen; want zijnentwege worden zij veracht,

11 Wee u, goddelooze menschen! gij, die de wet van den Heer, den Allerhoogste, verlaten hebt.

12. En toen gij geboren werdt, werdt gij ten vloek geboren, en als gij zult sterven, dan zal vloek uw deel zijn8).

13. Alles wat uit de aarde is, zal weder tot de aarde terugkeeren; zoo ook de goddeloozen van de vervloeking tot het verderf9).

14. Rouw bedrijven de menschen bij het lijk van een hunner, toch zal de naam der goddeloozen vergaan10).

15. Draag zorg voor uwen goeden naam; want die blijft u langer dan duizend kostbare en groote schatten.

16. Een goed leven is telbaarheid van dagen, maar een goede naam blijft in eeuwigheid11).

tot het niets terug, evenzoo de goddelooze uit het tohoe tot het tohoe». Tohoe, dat het ledige (vgl. Gen. I 2) en dan het niet beteekent, is hier öf als synoniem met épher bedoeld, öf als het rijk van het booze. In het eerste geval is de zin: De goddelooze, die goddeloos werd doordat hij het niets najoeg, daar alle zonde nietig en ijdel is, zal dienovereenkomstig teniet gaan; in het tweede : de goddelooze, die van een goddelooze voortkwam, zal ook den vloek der goddeloosheid (het verderf) ondergaan. In dien zin verstond het de Grieksche, en op zijn voetspoor, de Latijnsche vertaler en voegt het zioh ook het best in den samenhang.

10) Dit vers laat voor den 'samenhang in Hebr. niets te wenschen over: «De vergankelijkheid des menschen fis) ten opzichte van het lichaam (d. i. de mensch is vergankelijk, naardien hij stof is en tot stof wederkeert), maar de lof der vroomheid zal niet vergaan». Daarbij sluit zich v. 15 zeer goed aan.

") Hebr.: «maar de goede naam

Sluiten