Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

12. Vide arcum, et benedic eum, qui fecit illum: valde speciosus est in splendore suo. Gen. IX 13.

13. Gyravit ccelum in circuitu gloria? sua?, manus Excelsi aperuerunt illum.

14. Imperio suo acceleravit nivem, et accelerat coruscationes emittere judicii sui.

15. Propterea aperti sunt thesauri, et evolaverunt nebulae sicut aves.

16. In magnitudine sua posuit nubes, et confracti sunt lapides grandinis. Job XXXVUJL 22.

17. In conspectu ejus commovebuntur montes, et in voluntate ejus aspirabit Notus. Ps. CIII 32.

18. Vox tonitrui ejus verberabit terram, tempestas aquilonis, et congregatio spiritus:

19. Et sicut avis deponens ad sedendum, aspergit nivem, et sicut locusta demergens descensus ejus.

12. Zie den regenboog en prijs zijnen Maker, overschoon is hij in zijn glans.

13. Hij om vademt den hemel met zijn [prachtigen] kring; de handen van den Allerhoogste spanden hem uit.

14. Door zijn bevel jaagt Hij voort de sneeuw, en ijlings slingert Hij neder de bliksems van zijn gericht8).

15. Daarom openen zich de voorraadkamers, en de wolken vliegen uit gelijk vogels9).

16. Door zijne macht pakt Hij wolken opeen, en de hagelsteenen brokkelen zich af10).

17. Vóór zijn aangezicht beven de bergen, en naar zijnen wil blaast de zuidenwind.

18. De stem van zijn donder schokt de aarde, de storm van het Noorden en de wervelwind11).

19. En gelijk vogels omlaag vliegen om zich neer te laten, zoo strooit Hij de sneeuw uit, en gelijk de sprinkhanen neervallen, zoo valt zij neder11).

strophe bestaan in Hebr. uit 12 (6 -f 6) zesvoeters. De eerste helft der strophe (v. 12 — 18a) verheerlijkt Gods wonderen in de lucht (regenboog, bliksem, regen, wolken, hagel en donder); de tweede (v. 186—22) de verbazingwekkende natuurverschijnselen op de aarde (wind, sneeuw, ijs en rijp). Van de tegenstrophe schilderen de eerste zes verzen (v. 23—28) hoe de Schepper na de droogte de aarde verkwikt en de wonderwereld der zee bestiert naar zijn wil, dien zijne engelen uitvoeren; de laatste zes (v. 29—37) besluiten den zang met eene geestdriftige herhaling van de gedachte in den aanhef uitgesproken.

iü Grieksche en de Latijnsche vertaler meenen ten onrechte dat de dichter hier onder het beeld van een orkaan gewaagt van Gods wraakgericht. Er is slechts sprake van Gods almacht. De Grieksche Vertaling berust zeker op een bedorven tekst. Naar Hebr. vermoedelijk te lezen: «Zijne macht richt (den loop van) den bliksem en zendt vonken uit in den hooge».

*) Voor daarom vermoedelijk naar

eene verbeterde lezing van Hebr. te lezen: «op zijn wenk». Het regenwater (d. i. het «water boven het uitspansel», Gen. I 7) bevond zich volgens de voorstelling der Hebreeuwen in voorraadkamers en werd door de wolken over de aarde uitgestort.

10) Naar Gr. (het vers ontbreekt in Hebr.): «Door zijne macht maakt Hij stijf de wolken», enz. De ijle wolken worden tot ijsklompen, die zich in hagelsteenen verbrokkelen.

") Door verschuiving der versleden geraakten v. 17 en 18 in het ongereede. Lees: «De stem van zijn donder schokt de aarde (v. 18 a) en uit vrees voor Hem beven de bergen (v. 17 a. Einde van de le helft der strophe). Op zijn bevel ontstaat de zuidenwind (v. 17 6), ook de noordenwind, orkaan en wervelstorm» (v. 186).

") Lees v. 19 ten deele naar Hebr., ten deele naar Gr. in beteren vorm: «Gelijk vogels (of wellicht beter: gelijk vonken) strooit Hij uit zijne sneeuwvlokken, en zij dalen neder, gelijk sprinkhanen neervallen».

I

I

Sluiten