Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Et duodecim prophetarum ossa pultalent de loco suo: nam corroboraverunt Jacob, et redemerunt se in fide virtutis.

13. Quomodo amplificemus Zorobabel? nam et ipse quasi signum in dextera manu: I Esdr. III2; Agg. 11, 14 et II 3, 6, 22, 24,

14. Sic et Jesum filium Josedec? nui in diebus suis ajdificaverunt

domum, et exaltaverunt templum sanctum Domino, paratum in gloriam sempiternam. Zach. III1.

15. Et Nehemias in memoria multi temporis, qui erexit nobis muros eversos, et stare fecit portas et seras, qui erexit domos nostras.

16. Nemo natus est in terra qualis

verkeerd. Hebr. heeft: «En ook herdacht hij Job, die de wegen der gerechtigheid bewandelde». Sommigen houden dezen tekst voor geheel zuiver en verklaren dien door verwijzing naar Ez. XIV 14: «Al waren de drie mannen, Noë, Daniël en Job te midden van hetzelve (het land), zij zouden door hunne gerechtigheid (alleen) hun leven redden». De dichter, zoo zegt men, vervolgde in zijne verheerlijking der vaderen als nevendoel ook de vérmelding of opsomming der heilige boeken. Hij kon echter Job, die niet tot Israël's voorvaders behoorde, niet als een der «vaderen» vermelden. Om nu te voorkomen, dat met de vermelding van Job

ook die van net üoen job acuwrwngo zou blijven, prees hij het als een verdienste van Ezeehiël, Job genoemd te hebben. Deze redeneering houdt intusschen geen steek. Het blijkt geenszins, dat de dichter het hem toegeschreven bijoogmerk had. t Buitendien behoorde Job toch tot de vrome mannen uit het verleden (XLIV 1), die in Israël om hunne trouw aan den waren God als geestelijke vaderen vereerd werden. Eindelijk past het veel beter in den samenhang, dat de dichter in eigen naam Job prijst, dan dat hij hem vermeldt als door Ezeehiël herdacht. Men zal daarom met kleine wijziging van Hebr. moeten lezen: «En ook Job tal ik herdenken». De Grieksche vertolker

12. Ook der twaalf profeten gebeente moge uitbotten van hunne rustplaats1*); want zij versterkten Jacob en redden zich zelf door hun deugdelijk geloof1*).

13. Hoe zullen wij Zorebabel prezen? Hij ook toch was als een zegelring aan de rechterhand16).

14. En hoe Jesus, den zoon van Josedec? Zij bouwden in hunne dagen het huis1*) en richtten den heiligen tempel op voor den Heer, die bestemd is voor de glorie der eeuwen17). . . 18. Ook Nehemias' gedachtenis is van langen duur; bij trok onze neergeworpen muren op en deed de poorten met hare grendels verrijzen, hq bouwde onze huizen op18). 16. Geen mensch werd er op aarde

nu las 'ijjob (Job) verkeerd als 'ojêb, d. i. vijand, en vertaalde den (vermoedelijk reeds verschreven en daarom ook geglosseerden) tekst: «en hij gedacht den vijand in den slagregen (d. i. vergeleek hem daarmede) en maakte goed de wegen der rechtvaardigheid» (d. w. z. voorspelde heil aan de rechvaardigen). Vermoedelijk had hij bij de wedergave der eerste vershelft Ez. XIII 13 op het oog. Op die foutieve vertaling, door afschrijvers buitendien foutief gecopieerd, berust de lezing der

V »fa Vgl. Zach. VI 12; Job XIV 7; t. Ti 1 rio twaalf fkleineï orofeten

worden vergeleken met een schijnbaar dooden boomstronk, waaruit nieuwe spruiten ontkiemen. Moge evenzoo de geest en het voorbeeld dier mannen, schoon zij gestorven zqn, mannen van gelijken aard wekken.

") Naar Gr. en Sjrr. (Hebr. is hier niet volledig): «want zij herstelden Jacob (diens volk) en redden hem door het geloof der hope» (op de Messiaansche toekomst). Vgl. Hebr. XI 1.

•») Zie Agg. II 24.

isv >7S« T V\aA* TTT 2.

11\ y.ia T V.ojii* TTT ft —10 en V 2 vols.

Gelijk v. 12 (zie noot 14) treedt Si-

racnzoon ook uier «p »io goraw.

de Messiaansche verwachting. Vgl. Agg.

II 10-

") Zie II Esdr. II 13—20.

Sluiten