Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

clamat in doh>rlJ^«nfo:'«ic facti sumus a faeièntua Dominmis

1 ft flnnnenimus. et quasi parturi-

vimus, et peperiflhïs spiritum: sa-

lutes non lecimus in terrayuw uw" ceciderunt habitatores terras.

19. Vivent mortui *tai{ tóter-feeti mei i resurgentt^ezpergiscimani,,M landateiixpoi habitatis in pulvere: quia ros lucis ros *»»»,Uet terram gigantum detrahes in ruinam.

20. Vade populus meuffcjntra in cubicula tua, claudAdWÉWittta super te, abscondere módicun»a*niomentum, donec petranseat (ftóignatio.

21. Ecce enim Dominus egredje^M de loco suo,(ttHvtoH»t iniquita*w» habitatoris terras contitaI[iéiiiBrfi«t revelabit terra sanguinem suum, et non operiet ultra interfectos suos.

iiS«);lDe vergelijking teert èfildfeawaarte der kastijding èn hare vrucht, eene nieuwe geboorte, een nieuw leven van Gods volk, het werk van Gods genade.

1S) De zin is: wij leden wel de smarten eener zwangerschap, maar hadden geene vlucht onzer weeën; wij kenden het land niet redden, en de bewoners der aarde, de wereldmachten, onze verdrukkers zijn voor ons niet bezwe-

Vol geloovig vertrouwen wendt zich het volk tot zijnen QPd, die eenmaal de dooden uit het graf zal doen opstaan. Uwe dooden zijn zij, die tot Gods volk behoorden en in den mond van ditzelfde volk aanstonds mijne verslagenen heeten. Dauw des lichts, A.A^ des hemels, die leven en wasdom geeft aan de planten, beteekent hier overdrachtelijk de hemelsche kracht van God (uw dauw), die leven zal geven aan de doode lichamen. Tegenover

gen schreit in hare weeën**»© waren wij voor uw aangeziefet, o Heer18) 1

18. Wij waren zwanger en leden als^arensweeenk.en wij baarden — wind; heil ««maften wij ntetj115?* land; daarom zijn de bewoners der aarde niet; bezweken19).

19. Leven zullen uwe dooden, nujne verslagenen zullen opstafftêfwaakt op en jubelt, gij die woont in het stof; want een dauw des lichts is uw dauw, en het landJ der reuzen zult gij neersmakken tot pm»*0),^

20. GaTVmijn volk, treed mnnen,

sluit uwe deuren

achter u, verschuil u voor een kort oogenblikpbtdat de verbolgenheid

vWfhhjBftii

21. Want zie, de Heer zal flitgaan van zijne plaats, opdat Hij de boosheid van den bewoner der aarde aan hem bezoeke; en blootleggen zal de aarde haar bloed, omniet langer zal zij hare verslagenen^bedekken21).

dat verheerlijkte teveuLVaiiiGods dienaren staat ind* Vulgaat de ondergang der reuzen, zie1 v. 14, der vijanden Gods; het Hebr. vertalen de meuweren: «en de aarde (door dien hemelsehen dauw als vruchtbaar gemaakt) zal de schimmen (de bewoners van het doodenrtjk) doen uitgaan». Vgl. Apoc. XX 13 — Duidelijk is hier, ook m defvrUgaat, de leer der algemeene veriIjJÈentB der dooden uitgesproken. . ..

Sl) Ten slotte richt de profeet eene vermaning tot de dienaren Gods, opdat zij bq de rampen, waarmede Gods verbolgenheid de zondige wereld Komt straffen, zich verschuilen in vertrouwen op God, gelijk men zich voor een onweder verschuilt in zijné binnenkamer Op dien wraakdag zal de aarde optreden als getuige en als aanklaagster der op haar gepleegde gewelddadigheden; eene zmspehng op tien. IV 10, 11.

Sluiten