Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XLII.

HOOFDSTUK XLII.

De Messias en aijn werk (v. 1—9); loflied (v. 10—12). De Heer, de wreker van zijn volk (13—17). Het weerspannige Israël (v. 18—25).

1. Ecce serrus meus, suscipiam eum: electus meus, complacuit sibi in illo anima mea: dedi spiritum meum super eum, judicium gentibus proferet. Matth. XII18.

2. Non clamabit, neque accipiet personam, nee audietur vox ejus foris.

3. Galamum quassatum non conteret, et linum fumigans non exstinguet: in veritate educet judicium.

4. Non erit tristis, neque turbulentus, donec ponat in terra judicium: et legem ejus insula? exspectabunt.

5. Hsec dicit Dominus Deus creans ccelos, et extendens eos: firmans terram, et quas germinant ex ea: dans flatum populo, qui est super eam, et spiritum calcantibus eam

') God voert hier, in de derde troostrede (v. 1 —12), een anderen uitverkoren dienstknecht op, die niet als de vorige, een krijgsheld, volken en vorsten als de potaarde zal vertreden (XLI 25), doch zachtmoedig en liefdevol het recht, d. i. de wet en de openbaring Gods, welke de regel is van het goddelijk recht en van het heil der menschen, door de prediking van het Evangelie den volken zal openbaren. Deze andere, door Cyrus voorafgebeelde dienstknecht is de Messias, Jesus Christus, als dienstknecht door God den Vader gezonden om zijne raadsbesluiten tot heil dêr menschheid te volvoeren. Van Hem toch is deze profetie geschreven, zie Matth. XII 18, volg. God zal Hem in zijne bediening ondersteunen; want Gods heilige Geest met al zijne gaven zal op Hem rusten, vgl. XI 2. Welbehagen enz., dit woord herhaalde God de Vader bij het doopsel en de gedaanteverwisseling van Jesus, zie Matth. III 17; XVII 5.

*) ttx\ zal met gelijk Cyrus met

L Zie, mijn dienstknecht, Ik zal hem ondersteunen; mijn uitverkorene, welbehagen heeft mijne ziel aan hem! Ik heb mijnen geest op hem gelegd; het recht zal hij den volken openbaren1).

2. Niet schreeuwen zal hij noch den persoon aanzien, noch zal zijne stem zich doen hooren op de straat*).

3. Het gekrookte riet zal hij niet breken, en het rookende lemmet zal hij niet uitdooven; in waarheid zal hij het recht openbaren3).

4. Niet neerslachtig zal hij zijn noch onstuimig, totdat hij op aarde het recht bestelt; en zijne wet zullen de eilanden verbeiden4).

5. Dit zegt de Heere God, die de hemelen schiep en ze uitspande, die vastheid geeft aan de aarde en

aan netgeen uit naar ontspruit, dié adem geeft aan het volk, dat daarop is, en geest aan hen, die haar betreden5)

krijgsrumoer optreden. Noch den persoon aanzien wijst, evenals XI 3, op zijn rechtvaardig bestuur; het Hebr. heeft daarvoor overeenkomstig Matth. XII 19: «noch (zijne stem) verheffen *, wat beter bij het voorgaande en het volgende past.

*) Hij zal hen, in wie de vatbaarheid voor het goede schier uitgedoofd scheen, niet ontmoedigen of van zich afstooten, maar allengs tot het heil brengen. In, d. i. overeenkomstig, de waarheid of aan zijne zending getrouw.

') De Messias zal de vestiging van het recht (noot 1) op aarde nastreven, zonder zich door moeilijkheden te laten ontmoedigen (niet neerslachtig) of door onstuimig geweld te willen zegevieren. In het Hebr. wordt evenals v. 3. doch thans van den Messias, gezegd: «Hij zal niet uitgedoofd noch gebroken worden». De eilanden, zie XL 15, de volken, die voor Cyrus' komst vreesden (XLI 5), zullen zijne wet, d. i. de openbaring van den Messias, met verlangen verbeiden.

') Alvorens het woord te richten tot

Sluiten