Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Ut sciant hi, qui ab ortu solis, I et qui ab occidente, quoniam absque me non est: Ego Dominus, et non est alter,

7. Formans lucem, et creans tenebras, faciens pacem, et creans malum •. ego Dominus faciens omnia haec.

8. Rorate cobü desuper, et nubes pluant justum: aperiatur terra, et germinet salvatorem: et justitia oriatur simul: ego Dominus creavi eum.

9. Vae qui contradicit fictori suo, testa de samiis terras: numquid dieet lutum figulo suo: Quid facis, et opus tuum absque manibus est? Jer. XVIII 6; Rom. IX 20.

10. Va? qui dicit patri: Quid generas? et mulieri: Quid parturis?

6. opdat die van den opgang der zon en die van den ondergang erkennen, dat er geen is buiten Mij8); Ik ben de Heer, en er is geen andere,

7. die het licht gevormd en de duisternis geschapen heb, die vrede breng en onheil schep6); Ik de Heer, Ik ben het, die dit alles doe.

8. Dauwt, hemelen, van boven, en dat de wolken regenen den gerechte ; de aarde opene zich en doe den Verlosser ontspruiten, en de gerechtigheid ontkieme te gader; Ik, de Heer, heb hem geschapen7).

9. Wee hem, die twist met zijnen Maker, hij, een scherf uit Samisch aardewerk! Zal het leem zeggen tot zijn kneder: Wat maakt gij? En uw werk: Hij heeft geene handen8)!

10. Wee hem, die tot den vader zegt: Wat teelt gij? En tot de vrouw: Wat baart gij9)?

daar hij volgens de opschriften, ook de Chaldeeuwsche goden, Bel, Nebo en Marduk, vereerde.

') God omgordde Cyrus, d. i. «maakte hem machtig» (Septuag.) boven koningen en volken, opdat (v. 6) alle volkeren over de gansche aarde door de vervulling dezer voorspellingeu tot de kennis van de waren God zouden worden voorbereid; vgl. I Esdr. I I.

*) De profeet spreekt aldus, wellicht met het oog op de heidensche leer van het zoogenaamde dualisme, volgens welke er twee aan elkander tegenstrijdige goddelijke wezens bestaan, waarvan het eene de oorsprong is van licht en geluk, het andere de bron van duisternis en onheil. .

Ö Het optreden van Cyrus zal volgens v. 4—7 strekken tot heil van Israël en tot licht voor de heidensche volken. Uit die beschouwing ontwelt de vurige verzuchting van den profeet naar «gerechtigheid» en «heil», zooals het Hebr. en de Septuag. in plaats van gerechte en Verlosser lezen. Bedoeld zijn de zegeningen van den Messias, van wien Cyrus ra zijn werk eene voorspellende figuur was, zoodat de profeet zonder het zinverband te verstoren van dezen tot genen kon overgaan. Gelijk de dauw en de regen op de dorstige

aarde, zoo dale de Messias van den hemel neder, om het in zonde en ellende naar gerechtigheid en heil smachtende menschdom te verkwikken en vruchten van zaligheid te doen voortbrengen. God antwoordt op die bede van den profeet: Ik heb hem, den Verlosser van Israël, Hebr.: «het (beloofde heil) geschapen», om het te bestemden tijde aan de wereld te toonen. In die belofte des Heeren moet de mensch berusten, want dwaas is het, zich tegen God te verzetten of te morren over zijne beschikkingen. Dit toont de profeet in de volgende verzen.

•) In vergeiyidng met zijnen Maker is de booze mensch een scherf enz. Aardewerk van het eiland Samos (in het Hebr. niet genoemd) was bq de ouden bekend. De pottenbakker, die hel leem naar welgevallen kneedt, is meermalen (vgl. XXIX 16; Jer. XVIII; Rom. IX 20, 21) een beeld van Gods oppermacht. Zal uw werk, o mensch, van u zeggen: Hij heeft enz., m. a. w. k» \a nnhandior. heeft ceen verstand

van zijn werk. Hoe kan dan de mensch

zelf, die geheel en ai tioas went is, aan zijnen Maker wijsheid of macht ontzeggen bij het nemen en ten uitvoer leggen zijner beschikkingen? 9) Hij, die oordeelt over Gods be-

Sluiten