Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Ad punctum in modico dereliqui te, et in miserationibus magnis congregabo te.

8. In momento indignationis abscondi faciem meam parumper a te, et in misericordia sempiterna misertus sum tui: dixit redemptor tuus Dominus.

9. Sicut in diebus Noe istud mihi est, cui juravi ne inducerem aquas Noe ultra supra terram: sic juravi ut non irascar tibi, et non increpem te. Gen. IX 11.

10. Montes enim commovebuntur, et colles contremiscent: misericordia autem mea non recedet a te, et foedus pacis mea? non movebitur: dixit miserator tuus Dominus.

11. Paupercula tempestate convulsa, absque ulla consolatione. Ecce ego sternam per ordinem lapides tuos, et fundabo te in sapphiris.

12. Et ponam jaspidem propugnacula tua: et portas tuas in lapides sculptos, et omnes terminos tuos in lapides desiderabiles:

innert aan Gods vroegere liefde, zij was zijne echtgenoote, Hebr.: «echtgenoote der jeugd», om Gods eerste liefde bij het verbond op Sinaï, hoewel thans tijdelijk verstooten.

') Voor een oogenblik, den tijd der ballingschap, een korte taijle in vergelijking met den eeuwigen duur van net Rijk zijner liefde. Het meervoud miserationibut ziet op de veelvuldige en groote bewijzen van Gods ontferming.

") Septuag.: «In een gramschap van korten duur»; vgl. Ps. XXIX noot 5. Zie verder VllI noot 15.

") Als in de dagen lezen ook vele Hebr.'handschriften en de meeste oude vertalingen; volgens de gewone Hebr. lezing: «als (met) de wateren» van Noë. De zin is: ook thans, evenals in de tijden van Noë, heb Ik Mij onder eede, d. i. onvoorwaardelijk, verbonden, geen tweede zoodanige verdelging over mijn

7. Voor een oogenblik, voor een korte wijle heb Ik u verlaten, en met groote ontferming zal Ik u verzamelen7).

8. In een oogenblik van verbolgenheid8) heb Ik mijn aangezicht een wijle voor u verborgen, en met eeuwigdurende ontferming ontferm Ik Mij over u, zegt uw Verlosser, de Heer.

9. Het is Mij daarmede als in de dagen van Noë, aan wien Ik zwoer de wateren van Noë niet meer over de aarde te brengen; alzoo heb Ik gezworen, dat Ik niet zal toornen op u en niet zal dreigen tegen u9).

10. Want de bergen mogen wankelen en de heuvelen sidderen; maar mijne goedertierenheid zal niet wijken van u, en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer, de Heer10).

11. Gij, armzalige, door onweder geteisterde, zonder eenigen troost! Zie, Ik, Ik zal uwe steenen leggen volgens de rij en u grondvesten op saffieren11).

12. En tot jaspis zal Ik uwe borstweringen maken en uwe poorten tot gesneden steenen en al uwe grenspalen tot kostelijke gesteenten12);

nieuw Sionsvolk te brengen. Zie Gen. IX 11; Eccli. XLIV 19; I Petr. III 20.

10) Vgl. LI 6; Rom. XI 29. De van de schepping af pal staande bergen en heuvelen (vgl. Hab. III 6) zullen eer wankelen dan het verbond van Gods liefde en vrede.

") Uit de diepe vernedering en de harde verdrukking zal Sion's heil ontspruiten. Deze luisterrijke herstelling schildert de profeet als een schitterende opbouwing van Sion. Zie Ik, God zelf is de bouwmeester. Volgens de rij, Hebr.: «in spiesglans», zfe I Par. XXIX noot 2; hier is het als de metselkalk, waarin de aanstonds genoemde edelgesteenten gelegd worden, zoodat zij tusschen die voegen als glinsterende oogen schitteren. De grondslagen zijn van hemelsblauwe saffier steenen. Zie Exod. XXVIII noot 13:

12) Uwe borstweringen, naar het Hebr. en de Septuag. zijn daarmede

Sluiten