Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19. Arguet te malitia tua, et aversie- tua increpabit te. Scito, et vide quia malum et amarum est reliquisse te Dominum Deum tuum, et non esse timorem mei apud te, dicit Dominus Deus exercituum.

20. A saeculo confregisti jugum meum, rupisti vincula mea, et dixisti: Non serviam. In omni enim colle sublimi, et sub omni ligno frondoso tu prosternebaris meretrix. Infra III 6.

21. Ego autem plantavi te vineam electam, omne semen verum: quomodo ergo conversa es mihi in pravum vinea aliena? Is. V 1; Matth. XXI 88.

22. Si laveris te nitro, et multiplicaveris tibi herbam borith, maculata es in iniquitate tua coram me, dicit Dominus Deus.

23. Quomodo dicis: Non sum polluta, post Baalim non ambulavi? vide vias tuas in convalle, scito quid feceris: cursor levis explicans vias suas.

19. Tuchtigen zal u uwe boosheid, en uwe afvalligheid zal u bestraffen. Erken en zie, dat het kwaad en bitter is, dat gij den Heer, uwen God, hebt verlaten en er bij u geen ontzag is voor Mij, zegt de Heer, de God der heerscharen.

20. Vanouds hebt gij mijn juk verbroken, mijne banden verscheurd en gezegd: Ik wil niet dienen! Want op eiken hoogen heuvel en onder allen loofrijken boom strektet gij u neder, boeleerster19)!

21. lk echter, Ik heb u geplant als een uitgelezen wijnstok, louter echt zaad; noe dan zijt gij Mij veranderd in een bastaard, ontaarde wijnstok») ?

22. Al wascht gij u met loogzout en neemt gij u daarbij loogkruid in overvloed*1), bezoedeld blijft gij door uwe ongerechtigheid voor mij n aangezicht, zegt de Heere God.

23. Hoe zegt gij: Ik heb mij niet verontreinigd, ik heb de Baals niet nageloopen? Zie uwe wegen in de vallei, erken wat gij gedaan hebt**); een lichte loopster, die hare wegen op- en neerloopt,

(v. 17) bleek uit de verbintenissen, die het dan met Egypte, dan met Assyrië sloot, meer op die heidensche machten dan op Jehova steunende. Dit noemt de profeet, terugziende op v.13, water drinken (Hebr.) «van den Sjichor», den naam van den troebelen Nijl, zie Is. XXIII noot 4, en van den stroom, den Euphraat. — Vgl. Is. XXX1—4; XXXI 1-T3; Thren. V 6; Bz. XVI 26 volg.; XXHI3; Osee VII 11; XII 1.

**) Mijn juk, mijne banden, Septuag. «uw juk ... uwe banden», d. i. het u door God opgelegde juk. Het beeld is ontleend aan het juk der lastdieren, dat met banden op den rug werd vastgemaakt. In plaats van Gods wet te volgen en Hem volgens zijnen wil te vereeren, had Israël zich op de hoogten en in heilige bosschen en hoven aan ontuchtige afgoderij volgens eigen lusten schuldig gemaakt en was een boeleerster geworden; zie Osee I noot 2. Vgl. Deut XII 2; Is. LVII 5—7; Osee IV 13. Hebr. naar den Massoretischen

tekst, in overeenstemming met meerdere oude vertalingen: «heb Ik uw juk (het juk uwer slavernij) verbroken, uwe banden verscheurd»; tegenover die weldaad Gods staat Israël's ontrouw en weerspannigheid: «en gij hebt gezegd: Ik wil niet dienen».

so) Als een uitgelezen, Hebr.: «als een sorek, zie Is. V noot 3. Mij, d. i. ten opzichte van Mij, veranderd; zie Osee XIV noot 11 aan het einde.

") Naast het delfstoffelijke loogzout of alkali, dat tot bereiding van zeep gebruikt wordt, staat het plantaardige loogkruid, waaruit soda door verbranding wordt verkregen.

™) De Baals, in het meervoud, om de vele vormen en namen, waaronder die Phenicische afgoderij werd gepleegd; Septuag. in het enkelvoud: «de (vrouwelijke) Baal», te weten Astarte. D» vallei Hinnom is bedoeld, zie VII 81; de Septuag. noemt haar «polyandrion», wellicht omdat aldaar eene begraafplaats was, zie VII- 32; XIX 6.

Sluiten