Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Quia haec dicit Dominus exercituum: Caedite lignum ejus, et fundite circa Jerusalem aggerem: haBc est civitas visitationis, omnis calumnia in medio ejus.

7. Sicut frigidam fecit cisterna aquam suam, sic frigidam fecit malitiam suam: iniquitas et vastitas audietur in ea, coram me semper infirmitas et plaga.

8. Erudire Jerusalem, ne forte recedat anima mea a te, ne forte ponam te desertam terram inhabitabilem.

9. Haec dicit Dominus exercituum: Usque ad racemum colligent quasi in vinea reliquias Israël: converte manum tuam quasi vindemiator ad cartallum

10. Cui loquar ? et quem contestabor ut audiat? ecce incircumcisae

beteekent zich met offers en andere godsdienstige plechtigheden daartoe bereiden, vooral als de krijg de zaak van God geldt, zie Is. XIII 3; Joël III 9. Nog op den middag, in de hitte der zon, zijn die krijgslustige vijanden uitgetrokken. Wee ons, klagen zij, omdat zij, voordat de avond invalt, hun doel niet bereikt hebben. Doch vurig ten strijde laten zij niet af; in den nacht willen zij de stad bestormen en hun vernielingswerk voltrekken. Vgl. Hab. I 6—11 de beschrijving van het Chaldeeuwsche leger.

') Doortastend en zonder verschooning gaan de vijanden te werk. Want zoo is de wil des Heeren, die hun geboden heeft het geboomte rondom de belegerde stad te vellen, iets wat de menschlievende wet van Deut. XX 19 volg. aan Israël verbood. Dat hout moest dienen om den wal rondom de stad op te werpen, achter welken de belegeraars haar veilig konden bestoken. In de spijkerschriftoorkonden der Chaldeën roemen hunne koningen op zulk een vernielen der wouden; zie Hab. II 17. Waarom de stad zoo onbarmhartig door God bezocht wordt, zegt het slot van dit vers, te weten om het onbarmhartig verdrukken van anderen.

6. Want dit zegt de Heer der heerscharen: Velt naar geboomte en werpt om Jerusalem eenen wal op; dit is de stad der bezoeking, louter verdrukking is in haar midden6).

7. ^ Gelijk een regenbak zijn water frisoh houdt, zoo houdt zij hare boosheid frisch; onrecht en geweld hoort men in haar, voor mijn aangezicht zijn gedurig krankheid en wonde6).

8. Laat u terechtwijzen, Jerusalem, opdat mijne ziel zich wellicht niet van u afwende, opdat Dx u wellicht niet make tot eene woestenij, tot een onbewoonbaar land7).

9. Dit zegt de Heer der heerscharen: Tot aan den laatsten tros zal men evenals aan den wijnstok de overblijfselen van Israël inzamelen; wend als de druivenlezer uwe hand naar den korf heen8).

10. Tot wien zal ik spreken? En wien betuigen, zoodat hij hooren zal ?

•) In Jerusalem verliest de boosheid nimmer hare frischheid, want voortdurend worden er nieuwe misdaden gepleegd; vgl. Ps. LIV 10—12. Krankheid en wonde ten gevolge der slagen, welke de machthebbers aan de armen toebrengen. De Septuag. verbindt dit aldus: «onrecht en geweld hoort men in haar voor haar aangezicht. Door kwelling en slagen zult gij getuchtigd worden, Jerusalem».

•) Nog biedt God de hand der verzoening, zoo Israël zich slechts door de tuchtiging laat terechtwijzen. Vgl. XVIII 7—11. *

•) Van v. 9 af volgt Juda's veroordeeling in den vorm van eene tweespraak tusschen God en den profeet. Israël beteekent het geheele volk Gods, welks grootste deel, het Tienstammenrijk, reeds is vernietigd. Doch ook aan Juda zal eene wijnlezing worden gehouden en wel herhaaldelijk, totdat de laatste trossen, welke aan dien wijnstok nog overblijven, zijn ingezameld. Zie Is. XVTI 5, 6 Gods wraakgericht onder hetzelfde beeld eener druivenlezing. Het bevel wend enz. is gericht tot den profeet, die, als de verkondiger van het werkdadige woord van God, in zekeren zin de uitvoerder is van des Heeren gerichten ; zie I 10; V 14; VI 11.

Sluiten