Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25. Effunde indignationem tuam super gentes, quae non cognoverunt te et super provincias, quae nomen tuum non invocaverunt: quia comederunt Jacob, et devoraverunt illum, et consumpserunt illum, et decus ejus dissipaverunt. Ps. LXXVUI 6.

25. Stort uwe verbolgenheid uit over de volken, die U niet kennen, en over de landschappen, die uwen naam niet aanroepen; want zq hebben Jacob opgegeten en hem verslonden en hem verteerd, en zijnen luister hebben zij verwoest23).

CAPUT XI.

HOOFDSTUK XI.

Het verbond van God met Israël (v. 1—8). Samenzwering tegen Gods woord en verwerping des volks (v. 9—17); samenzwering der bewoners van Anathoth tegen den profeet en het vonnis over hen (v. 18 23).

1. Verbum, quod factum est a Domino ad Jeremiam, dicens:

2. Audite verba pacti hujus, et loquimini ad viros Juda, et ad habitatores Jerusalem,

3. Et dices ad eos: Haec dicit Dominus Deus Israël: Maledictus vir, qui non audierit verba pacti hujus,

4. Quod praecepi patribus vestris in die, qua eduxi eos de terra JSgypti, de fornace ferrea, dicens: Audite vocem meam, et f acite omnia.

1. Het woord, dat van den Heer tot Jeremias geschied is1), zeggende:

2. Hoort de woorden van dit verbond en spreekt tot de mannen van Juda en tot de bewoners van Jerusalem2),

3. en zeg tot hen: Dit zegt de Heer, de God van Israël: Vervloekt i9 de man, die niet hoort naar de woorden van dit verbond3),

4. hetwelk Ik uwen vaderen geboden heb, ten dage dat Ik hen heb uitgevoerd uit het land Egypte, uit den ijzeren oven, zeggende: Hoort

volk, in wiens naam de profeet v. 23, 24 spreekt (Septuag.: «Tuchtig ons»), vernedert zich onder de straffende hand van God en smeekt Hem, naar billijkheid, d. i. met mate en genadiglijk, te tuchtigen, niet in toorn met dit gevolg, dat het volk als zoodanig (Hebr.) «te gering» of vernietigd zou worden.

") Landschappen, Hebr.: «natiën». De drie al sterkere uitdrukkingen opgegeten, verslonden (wat de Septuag. niet heeft) en verteerd teekenen de woede der roofzuchtige vijanden tegen Israël, de reden dezer verwensching. In de gelijkluidende plaats Ps. LXXVIII 6, 7 staat voor zijnen luister (Hebr. en Septuag.: «zijne weideplaats»)«zijne woonplaats», te weten zijn heerlijk land.

') Nadat het wetboek van Moses onder koning Josias was teruggevon¬

den, werd het verbond met God op plechtige wijze hernieuwd; zie IV Re<* XXII volg.; II Par. XXXIV 29 volg. Aan de hierop volgende hervorming van godsdienst en zeden had ook Jeremias zonder twijfel een werkzaam deel; dit volgt reeds uit zijne bediening van profeet. Weldra echter ondervond bij de halsstarrigheid van zijn volk, waarop in deze profetie (XI—XII) gedoeld wordt.

*) De woorden van dit verbond (zie IV Reg. XXIII 2 en vgl. Deut. XXIX 1, 9) zijn de voorschriften, de beloften en de bedreigingen (v. 4, 8), die vervat waren in het teruggevonden wetboek. Spreekt in het meervoud: bedoeld zijn met Jeremias andere profeten of zij, die hiertoe (zie II Par. XXXIV 29) waren aangewezen. De Septuag. en de Syr. vertal. hebben het enkelvoud.

*) Volgens Deut. XXVII 26.

Sluiten