Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et corda, videam ultionem tuam ex eis: tibi. enim revelavi causam meam. Infra XVII10 te XX12.

21. Propterea haec dicit Dominus ad viros Anathoth, qui quaerunt animam tuam, et dicunt: Nonprophetabis in nomine Domini, et non morieris in manibus nostris.

22. Propterea haec dicit Dominus exercituum: Ecce ego visitabo super eos: juvenes morientur in gladio, filii eorum, et filiae eorum morientur in fame.

23. Et reliquiae non erunt ex eis: inducam enim malum super viros Anathoth, annum visitationis eorum.

nieren en harten beproeft, moge ik uwe wraak aan hen zien; want

aan u neb ik mijne zaak blootge-

21. Daarom zegt dit de Heer tot

ue mannen van Anatnotn, die u naar

nei leven staan en zeggen: Profeteer niet in den naam des Heeren, en gij zult niet sterven door onze handen19).

22. Daarom zegt dit de Heer der heerscharen: Zie, Ik zal over hen bezoeking brengen: de jongelingen zullen sterven door het zwaard, hunne zonen en hunne dochters zullen sterven door den honger.

23. En er zullen geen overblijfselen van hen zijn; want Ik zal onheil brengen over de mannen van Anathoth, het jaar hunner bezoeking20).

CAPUT XII.

HOOFDSTUK XII.

Klacht van den profeet over den voorspoed der goddeloozen (v. 1—6) Godi wraak over zijn trouweloos volk (v. 7—13) en over diens overmoedige vijanden, d^gpo zij ziek..bekeeren, met Juda in één rijk zullen vereenigd worden (v. 14—17).

1. Justus quidem tu es Domine, si disputem tecum: verumtamen justa loquar ad te: Quare via impiorum prosperatur: bene est omnibus, qui praevaricantur, et inique agunt? Job. XXI 7; Hab. 113.

2. Plantasti eos, et radicem miserunt: proficiunt et f aciunt fructum:

1. Rechtvaardig zijt Gij wel, o Heer, als ik met U in twistgeding treed; nochtans laat mij over hetgeen recht is met ü spreken! Waarom is de weg der goddeloozen voorspoedig, gaat het wel aan allen, die trouweloos zijn en slecht handelen1)?

2. Gij hebt hen geplant en zij hebben wortel geschoten; zij gedijen

") Naar de Septuag.: «die mij naar het leven staan» en zeggen, niet openlijk (zie v. 18, 19), maar in hun hart en onder elkander: Indien gij ophoudt met profeteeren, zult gij niet omkomen. Vgl. Is. XXX 10; Am. II 12; VII13: Mich. II 6.

M) Uit I Esdr. II 23; II Esdr. VII 27 blijkt, dat deze profetie alleen de samenzweerders en de gelijkgezinden betrof. Het bedoelke jaar is dat van Jerusalem's belegering; zie voor Anathoth de Inleiding.

VI

*) De tegenstand zijner medeburgers gaf den profeet aanleiding tot de hier volgende klacht over den voorspoed der goddeloozen, een voor de vromen des Ouden Verbonds te duisterder vraagstuk, omdat de belooningen der deugd vooral tijdelijk waren. Zie Job. XII 6; XXI 7 volg.; Ps. XXXVI; LXXII; Hab. I 3. De profeet stelt Gods rechtvaardigheid als beginsel voorop; doch hoe hiermede den voorspoed te rijmen, dien de goddeloozen hebben op hunnen levensweg?

Sluiten