Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prope es tu ori eorum, et longe a renibus eorum.

3. Et tu Domine nosti me, vidisti me, et probasti cor meum tecum: congrega eos quasi gregem ad victimam, et sanctifica eos in die occisionis.

4. Usquequo lugebit terra, et herba omnis regionis siccabitur propter malitiam habitantium in ea? consumptum est animal, et volucre, quoniam dixerunt: Non videbit novissima nostra.

5. Si cum peditibus currens laborasti: quomodo contendere poteris cum equis? cum autem in terra pacis securus fueris, quid facies in superbia Jordanis?

6. Nam et fratres tui, et domus patris tui, etiam ipsi pugnaverunt adversum te, .et clamaverunt post te plena voce: ne credas eis cum locuti fuerint tibi bona.

7. Reliqui domum meam, dimisi hereditatem meam: dedi dilectam |

') Gij hebt hen geplant, d. i. hun | bestendigen welstand verleend. Zij gedij en, Septuag.: «hebben kinderen voortgebracht». Nabij enz., m. a. w. zij hebben uwen naam, uwe wet enz. gedurig op de lippen en veinzen U te eeren, maar verre zijt Gij van hunne nieren, | den zetel der innigste aandoeningen, j Zie Is. XXIX 13. Het tegendeel kan de profeet van zich zeiven getuigen v.3.

s) d. i. Beproeft of mijn hart met U vereenigd, in innigen omgang is met U. In de Septuag. ontbreekt: Gij ziet j mij en de volgende zinsnede: Verzamel hen... .ter slachting.

') Als slachtoffers aan Gods gerechtigheid opgedragen; vgl. Is. XXXIV 6.

*) Verdorren door de langdurige droogte (zie XIV 1) eene straf der zonden. Tartend zeggen zij: De profeet zal ons einde, dat hij voorspelt, zie v. 3, niet zien, d. i. niet beleven; doch Septuag.: «God ziet onze wegen niet», d. i. Hij bekommert er zich niet om, hoe het ons gaat.

en dragen vrucht; nabij zijt Gij in hunnen mond en verre van hunne nieren2).

3. En Gij, o Heer, Gij kent mij, Gij ziet mij en toetst mijn hart met U3). Verzamel hen als eene kudde ter slachting en heilig hen voor den dag der dooding4).

4. Hoe lang nog zal het land treuren en al het kruid des velds verdorren om de boosheid van deszelfs bewoners? Omgekomen is vee en gevogelte, terwijl zij zeiden: Hij zal ons einde niet zien5).

5. Indien gij met voetgangers loopende moede zijt geworden, hoe zult gij kunnen wedijveren met paarden? En daar gij in het land des vredes veilig zijt, wat zult gij doen in den trots des Jordaans6)?

6. Want ook uwe broeders en het huis uws vaders, ook zij hebben gestreden tegen u; ook zij hebben achter u geroepen met luider stem; vertrouw niet op hen, als zij vriendelijk met u spreken7).

7. Ik heb mijn huis verlaten, mijn erfdeel heb Ik verstooten; Dx heb

•) Gods antwoord (v. 5—7) geeft den profeet geen troost, maar kondigt nog erger tegenkanting aan, eerst in twee spreekwoordelijke gezegden. De zin van het eerste is: Indien gij nu reeds versaagt, wat zal het dan wel zijn bij hetgeen u nog wedervaren zal. Het tweede beteekent: Uw tegenwoordige toestand is als een wonen in het land des vredes, d. i. in een veilige streek, vergeleken bij de zwaardere beproevingen, welke komen zullen. Dit laatste heet een verblijven in den trots, in de trotsche wouden, des Jordaans, alwaar volgens XLIX 19; L 44 (vgl. Zach. XI 3) leeuwen wonen.

') Het huis uws vaders, d. i. uwe huisgenooten en bloedverwanten, hebben gestreden, Hebr.: «zijn ontrouw geworden aan u>, en hebben van u allerlei lasteringen aan wie het hooren wil verteld, zóó nochtans, dat gü het

I niet hoort ("achter uwen rug»), Vgl. Mich. VII 6. Septuag.: «ook zij hebben geroepen, achter uwen rug sainen-

1 geschoold».

Sluiten