Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Et conteres lagunculam in oculis virorum, qui ibunt tecum:

11. Et dices ad eos: Haec dicit Dominus exercituum: Sic conteram populum istum et civitatem istam, sicut conteritur vas figuli, quod non potest ultra instaurari: et in Topheth sepelientur, eo quod non sit alius locus ad sepeliendum.

12. Sic faciam loco huic, ait Dominus, et habitatoribus ejus: et ponam civitatem istam sicut Topheth.

13. Et erunt domus Jerusalem, et domus regum Juda sicut locus Topheth, immundae: omnes domus, in quarum domatibus sacrifioaverunt omni militiae cceli, et libaverunt libamina diis alienis.

14. Venit autem Jeremias de Topheth, quo miserat eum Dominus ad prophetandum, et stetit in atrio domus Domini, et dixit ad omnem populum:

15. Haec dicit Dominus exercituum Deus Israël: Ecce ego inducam super civitatem hanc, et super omnes urbes ejus universa mala, quae locutus sum adversum eam: quoniam induraverunt cervicem suam ut non audirent sermones meos.

10. En gij zult de kruik verbrijzelen voor de oogen der mannen, die met u zullen gaan.

11. En gij zult tot hen zeggen: Dit zegt de Heer der heerscharen: Aldus zal Ik dit volk verbrijzelen en deze stad, gelijk de kruik van den pottenbakker verbrijzeld wordt, welke niet weder gemaakt kan wor-

I den10); en in Topheth zullen zij bei graven worden, dewijl er geen [ andere plaats is ter begraving.

12. Aldus zal Ik doen aan deze plaats, zegt de Heer, en aan hare bewoners; en lk zal deze stad maken als een Topheth11).

13. En de huizen van Jerusalem en de huizen der koningen van Juda zullen zijn als de plaats Topheth, onrein : al de huizen, op welker daken zij aan geheel het heer des hemels geofferd en plengoffers geplengd hebben aan vreemde goden12).

14. Jeremias kwam dan van Topheth13), waarheen de Heer hem om te profeteeren gezonden had, en hij plaatste zich in het voorhof van het huis des Heeren en zeide tot al het volk:

15. Dit zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël: Zie, lk zal over deze stad en over al hare steden al de onheilen brengen, welke Ik tegen haar gesproken heb; want zij hebben hunnen nek verhard om niet te luisteren naar mijne woorden").

") De zinnebeeldige handeling (v. 10) beteekent den menschelijkerwijze onherstelbaren ondergang van volk en staat: vgl. Ps. II 9; Is. XXX 14. Zie hetzelfde in andere beelden uitgedrukt XV 14; XVII 4, 27. — De volgende woorden, eene herhaling van Vil 32, heeft de Septuagint beter weggelaten.

u) Als het sinds Josias' tijd als onrein verafschuwde en gevloekte dal Topheth; zie IV Reg. XXIII 10; vgl. Is. XXX 33.

") In plaats van immundce, onrein vertaalt de Septuag. «om al hunne onreinheden» en voegt het bij het vol-

l gende: «in» al de huizen, op iselker platte daken enz.; aldaar brandde men wierook voor het gesternte; zie VII18; VIII 2. Vgl. Soph. I 6; IV Reg. XXI 3—5; XXIII 12.

") Na aldaar gedaan en gesproken te hebben wat hem v. 1—13 gelast was.

") Met dit woord eindigde Jeremias zijne rede, waarin hij de beteekenis der zinnebeeldige handeling verklaard en het hem opgedragen woord had toegelicht. — Over al hare, aan de hoofdstad ondergeschikte, steden. Zie verder VII 26; XVII 23.

Sluiten