Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Ecce dies veniunt, dicit Dominus: et suscitabo David germen justum: et regnabit rex, et sapiens erit: et faciet judicium et justitiam in terra, Is. IV 2 et XL 11 et XLV 8; Infra XXXIII IS; Ez. XXXIV 12; Dan. IX 24; Joann. I 45.

6. In diebus illis salvabitur Juda, et Israël habitabit confidenter: et hoe est nomen, quod vocabunt eum, Dominus justus noster.

7. Propter hoe ecce dies veniunt, dicit Dominus, et non dicent ultra: Vivit Dominus, qui eduxit filios Israël de terra .lEgypti:

8. Sed: Vivit Dominus, qui eduxit et adduxit semen domus Israël de terra aquilonis, et de cunctis terris, ad quas ejeceram eos illuc: et habitabunt in terra sua, Supra XVI14.

9. Ad prophetas: Contritum est cor meum in medio mei, contremuerunt omnia ossa mea: factus sum quasi vir ebrius, et quasi homo madidus a vino a facie Domini, et a facie verborum sanctorum ejus.

10. Quia adulteris repleta est terra, quia a facie maledictionis luxit

*) De gerechte spruit uit David's koninklijk geslacht is de Messias, die de gerechte heet, als de bewerker der gerechtigheid; zie Is. IV noot 2; XI 1. Hij is de koning van het herstelde Rijk Gods, wiens bestuur, in tegenstelling met dat der koningen van dien tijd (vgl. XXH 17; XXHI 1), wijs en rechtvaardig zijn zal; zie Ia. IX 7; XI 4, 5.

*) In die dagen, Hebr.: «in zijne dagen», de dagen van den Messias, zal Juda, het volk Gods, heil bekomen door «de gerechte spruit*; en hierom zal men hem, den Messias, noemen (Hebr.): «De Heer, onze gerechtigheid», want door zijn werk wordt de Heer onze gerechtigheid. Vgl. XXXHI 16, waar Jerusalem denzelfden naam draagt.

°) Vers 7 en 8 zijn eene herhaling van XVI 14, 15. De Septuag. plaatst

5. Zie, de dagen komen, zegt de Heer, en Ik zal voor David eene gerechte spruit verwekken; en als koning zal hij regeeren, en hjj zal wijs zijn en recht en gerechtigheid oefenen in het land*).

6. In die dagen zal Juda heil bekomen, en zal Israël veilig wonen; en dit is de naam, waarmede men hem noemen zal: Heer, onze gerechte6) !

7. Daarom, zie, de dagen komen, zegt de Heer, en men zal niet meer zeggen: Zoo waar de Heer leeft, die de kinderen van Israël heeft uitgevoerd uit het land Egypte!

8. Maar: Zoo waar de Heer leeft, die het zaad van het huis van Israël heef* uitgevoerd en herwaarts gevoerd uit het land van het noorden en uit alle landen, werwaarts Ik hen had uitgedreven; en zij zullen wonen in hun land6).

9. Aangaande de profeten7). Gebroken is mijn hart in mijn binnenste, almijne beenderen schokken; ik ben geworden als een dronken man en als een van wijn beschonken mensch voor het aangezicht van den Heer en voor het aangezicht van zijne heilige woorden8).

10. Want van overspelers is het land vol, want voor het aangezicht

ze aan het einde van dit hoofdstuk en voegt er de woorden bij van XVI 16 «en Ik zal hen terugvoeren naar hun land».

") Opschrift eener nieuwe godspraak tot de valsche profeten. Uit v. 10 schijnt te volgen, dat zij werd uitgesproken in denzelfden tijd als de profetie van hoofdstuk XIV en XV, vermoedelijk in het begin der regeering van Joakim.

) Voor het aangezicht, d. i. ter oorzake, van den Heer, en (met verklarenden zin, te weten) van zijn heilige woorden, fLi. ter oorzake zijner openbaring, om welker schrikwekkenden inhoud hem de krachten van geest en lichaam ontzinken, en hij om het schokken van zijne beenderen waggelt als een dronken man. Vgl. IV 19; VIII 18

Sluiten