Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPÜT XXV.

HOOFDSTUK XXV.

De zeventig jaren der ballingschap (v. 1—11). Het vonnis over Babel (v. 12—14). Het gericht over Juda en de heidensche volken (v, 15—29). Het wereldgericht (v. 30—38).

1. Verbum, quod factum est ad Jeremiam de omni populo Juda in anno quarto Joakim filii Josias regis Juda, (ipse est annus primus Nabuchodonosor regis Babylonis.)

2. Quod locutus est Jeremias propheta ad omnem populum Juda, et ad universos habitatores Jerusalem, dicens:

3. A tertiodecimo anno Josias filii Arnon regis Juda usque ad diem hanc; iste tertius et vigesimus annus, factum est verbum Domini ad me, et locutus sum ad vos de nocte consurgens et loquens: et non audistis.

4. Et misit Dominus ad vos omnes

1. Het woord, dat tot Jeremias geschied is aangaande het geheele volk van Juda, in het vierde jaar van Joakim, den zoon van Josias, den koning van Juda (dit is het eerste jaar van Nabuchodonosor, den koning van Babyion1),

2. hetwelk Jeremias, de profeet, gesproken heeft tot het geheele volk van Juda en tot al de bewoners van Jerusalem*), zeggende:

3. Sedert het dertiende jaar van Josias, den zoon van Arnon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe — nu het drie en twintigste jaar — is het woord des Heeren tot mij geschied, en ik heb tot u gesproken, in den nacht opstaande en sprekende, en gij hebt niet gehoord8).

4. En de Heer heeft tot u al zijne

*) Dit is de eerste profetie met eene bepaalde tijdsopgave (zie III 6; XXVI 1). In het vierde jaar van Joakim, in 606/5, een gewichtig jaar in de geschiedenis, vooral in die van Juda. Want in dit Jaar behaalde Nabuchodonosor bij Charcamis (zie XLVI 2) de bekende groote overwinning op Egypte, drong bij dien krijgstocht door tot in Juda, nam Jerusalem in en maakte Joakim aan zich schatplichtig. Met dit jaar begon de zeventigjarige ballingschap (zie v. 11; vgl. Dan. I 1). Het is het eerste jaar van Nabuchodonosor, die in naam van zijnen vader aan het hoofd van het Chaldeeuwsche leger naar deze landen was opgetrokken en te midden zijner overwinningen, toen hij tot aan de grens van Egypte was doorgedrongen, om den dood zijns vaders naar Babel terugkeerde, ten einde hem op den troon op te volgen; dit geschiedde waarschijnlijk nog in hetzelfde jaar. Gelijk gewoonlijk laat ook hier de Septuag. den naam van Nabuchodonosor, zelfs geheel den tusschenzin, achterwege.

*) Jeremias sprak deze profetie waarschijnlijk na den slag bij Charcamis, doch alvorens de overwinnaar in Juda was gevallen, tot het geheele volk en derhalve herhaalde malen en bij verschillende gelegenheden, zoolang totdat allen daarvan onderricht waren. De hoofdinhoud van het toen gesprokene volgt hier.

3) De profeet werpt eerst eenen terugblik op het nu afgesloten tijdperk zijner werkzaamheid om de hardnekkigheid van Juda, de reden van het komende wraakgericht, in het volle licht te plaatsen. Sedert het dertiende jaar enz., zie I 2. Nu het drie en twintigste*i.Hebr. en Septuag.: «nu drie en twintig jaren», te weten bijna negentien jaren onder Josias, drie maanden onder Joachaz, en thans tot «het vierde jaar van Joakim» (v. 1). Inden nacht, Hebr. en Septuag.: «vroeg», opstaande, zie VII 13, 25; XI 7 en het volg. v. 4. In de Sept. ontbreekt in het tweede halfvers is het woord... geschied en aan het einde en gij hebt enz.

Sluiten