Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27. Et dices ad eos: Haec dicit Dominus exercituum Deus Israël: Bibite, et inebriamini, et vomite: et cadite, neque surgatis a facie gladii, quem ego mittam inter vos.

28. Gumque noluerint accipere calicem de manu tua ut bibant, dices ad eos: Haec dicit Dominus exercituum: Bibentes bibetis:

29. Quia ecce in civitate, in qua invocatum est nomen meum, ego incipiam affligere, et vos quasi innocentes et immunes eritis? non eritis immunes: gladium enim ego voco super omnes habitatores terra), dicit Dominus exercituum. / Petr. IV 17.

30. Et tu prophetabis ad eos omnia verba haec, et dices ad illos: Dominus de excelso rugiet, et de habitaculo sancto suo dabit vocem suam: rugiens rugiet super decorem suum: celeuma quasi calcantium concinetur adversus omnes habitatores terrae. Joel III16; Amos 12.

31. Pervenit sonitus usque ad extrema terrae: quia judicium Domino cum gentibus: judicatur ipse cum omni carne, impios tradidi gladio, dicit Dominus.

32. Haec dicit Dominus exercituum: Ecce afflictio egredietur de gente

27. En gij zult tot hen zeggen: Dit zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël: Drinkt en wordt dronken en braakt en valt, en staat niet op voor het aangezicht des zwaards, dat Ik onder u zenden zal.

28. En als zij weigeren den beker uit uwe hand aan te nemen om te drinken, zult gij tot hen zeggen: Dit zegt de Heer der heerscharen: Drinken, drinken zult gij80)!

29. Want zie, met de stad, over welke mijn naam is uitgeroepen31), zal Dx beginnen te straffen; en gijlieden, zoudt gij als schuldeloozen en straffeloozen zijn? Neen, gij zult niet straffeloos blijven; Want Dx roep het zwaard over alle bewoners der aarde, zegt de Heer der heerscharen8*).

30. En gij zult aan hen al deze woorden profeteeren en tot hen zeggen: De Heer zal brullen uit den hooge, en uit zijn heilige woonplaats zal Hij zijne stem doen hooren; met gebrul zal Hij brullen over zijnen luister; de juichkreet als van druiventreders zal worden aangeheven tegen al de bewoners der aarde33).

31. De galm dringt door tot de uiteinden der aarde; want eene rechtzaak heeft de Heer met de volken; Hij houdt gericht met alle vleesch; de goddeloozen heb Ik overgeleverd aan het zwaard, zegt de Heer.

32. Dit zegt de Heer der heerscharen : Zie, het onheil zal uitgaan van

een woord een geheel ander woord I vormde; men verwisselde nl. de eerste letter (a) met de laatste (th), de tweede (b) met de voorlaatste (sj) en zoo verder. De Septuag. laat den slotzin weg.

30) M. a. w. het aangekondigde wraakgericht zal de in v. 18—26 opgenoemde volken onvermijdelijk treffen.

") Het Jerusalem, de aan God gewijde stad (zie op VII10), zal het gericht beginnen (zie v. 18). Indien alzoo God zijn eigen volk niet spaart, hoe zou Hij dan de van Hem vervreemde, afgodische volken verschoonen?

| **) Hiermede gaat de profeet over tot de aankondiging van het algemeene wereldgericht; zie Joël III 9 volg. <

3S) Zie Joël III 16 ; Am. I 2. Hier echter klinkt het brullen van den vertoornden God uit den hooge, d. i. uit den hemel, en wel vooreerst over zijnen luister, d. i. over de luisterrijke woonstede van zijn eigen volk. Zie voor het beeld der druiventreders, waaronder hier het gericht over de heidensche volken wordt voorgesteld, Is. XVI 9, 10; LXIH 2, 8.

Sluiten