Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bylonis, et servierit ei: dimittam eam in terra sua, dicit Dominus: et colet eam, et habitabit in ea.

12. Et ad Sedeciam regem Juda locutus sum secundum omnia verba haec, dicens: Subjicite colla vestra sub jugo regis Babylonis, et servite ei, et populo ejus, et vivetis.

13. Quare moriemini tu et populus tuus gladio, et fame, et peste, sicut locutus est Dominus ad gentem, quae servire noluerit regi Babylonis?

14. Nolite audire verba prophetarum dicentium vobis: Non servietis regi Babylonis: quia mendacium ipsi loquuntur vobis.

15. Quia non misi eos, ait Dominus: et ipsi prophetant in nomine meo mendaciter: ut ejiciant vos, et pereatis tam vos, quam prophetae, qui vaticinantur vobis. Supra XIV 14 et XXIII 21; Infra XXIX 9.

16. Et ad sacerdotes, et ad populum istum locutus sum, dicens: Haec dicit Dominus: Nolite audire verba prophetarum vestrorum, qui prophetant vobis, dicentes: Ecce vasa Domini revertentur de Babylone nunc cito, mendacium enim prophetant vobis.

17. Nolite ergo audire eos, sed servite regi Babylonis, ut vivatis: quare datur haec civitas in solitudinem?

18. Et si prophetae sunt, et est

koning van Babyion en hem zal dienen, Ik zal het in zijn land laten, zegt de Heer, en het zal het bebouwen en daarin wonen.

12. Ook tot Sedecias, den koning van Juda, sprak ik naar al deze woorden, zeggende: Buigt uwe halzen onder het juk van den koning van Babyion en dient hem en zijn volk, en gijlieden zult leven11).

13. Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk, door het zwaard en door den honger en door de pest, gelijk de Heer gesproken heeft aangaande het volk, dat den koning van Babyion niet wil dienen?

14. Hoort toch niet naar de woorden der profeten, die u zeggen: Gij zult den koning van Babyion niet dienen; want leugentaal spreken zij tot u.

15. Want Ik heb hen niet gezonden, zegt de Heer; en zij profeteeren in mijnen naam leugentaal, opdat zij u uitdrijven12), en gij omkomet, gijlieden zoowel als de prof eten, die u profeteeren,

16. Ook tot de priesters en tot dit volk sprak ik, zeggende: Dit zegt de Heer: Hoort toch niet naar de woorden uwer profeten, die u profeteeren, zeggende: Zie, de vaten des Heeren zullen uit Babyion terugkeeren, nu welhaast; want leugentaal profeteeren zij u13).

17. Hoort dan niet naar hen, maar dient den koning van Babyion, opdat gij leven moogt. Waarom zou deze stad prijsgegeven worden aan verwoesting?

18. En indien zij profeten zijn, en

u) Buigt,ia het meervoud, want de vermaning gold niet alleen Sedecias, maar zijn huis en geheel zijn volk. Sedecias moest dien goddelijken raad volgen, indien hij het heil zijns volks beoogde. Het volgende vers ontbreekt in de Septuag., en van v. 14 heeft zij alleen de laatste woorden.

,*) Hebr.: «opdat Ik u uitdrijve», evenals v. 10.

ls) Uwer profeten, d. i. die, niet door

Mij gezonden, om uwentwil en naar uwen zin spreken. De gouden vaten (Hebr.) «van het huis» des Heeren waren door Nabuchodonosor in zijn achtste jaar met Jechonias naar Baby Ion gevoerd; zie v. 19,20; vgl. IVReg. XXIV lS. Nu welhaast, derhalve niet na de zeventig jaren van XXV11; vgl. XXV1H 3. Dit laatste ontbreekt in de Septuag., waar in v. 17 alleen staat: «Ik heb hen niet gezonden».

Sluiten