Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Postquam egressus est Jechonias rex, et domina, et eunuchi, et principes Juda, et Jerusalem, et faber, et inclusor de Jerusalem:

3. In manu Elasa filii Saphan, et Gamarite filii Helciae, quos misit Sedecias rex Juda ad Nabuchodonosor regem Babylonis in Babylonem, dicens:

4. Haee dicit Dominus exercituum Deus Israël omni transmigrationi, quam transtuli de Jerusalem in Babylonem:

5. iEdificate domos, et habitate: et plantate hortos, et comedite fructum eorum.

6. Accipite uxores, et generate filios et filias: et date filiis vestris uxores, et filias vestras date viris, et pariant filios et filias: et multiplicamini ibi, et nolite esse pauci numero.

7. Et quaerite pacem civitatis, ad quam transmigrare vos feci: et orate pro ea ad Dominum: quia in pace illius erit pax vobis.

8. Haec enim dicit Dominus exercituum Deus Israël: Non vosseducant prophetae vestri, qui sunt in medio vestrum, et divini vestri: et ne attendatis ad somnia vestra, quas vos somniatis: Supra XIV 14 et XXIII, 16, 26 et XXVII15.

2. nadat koning Jechonias was heengetogen, alsook de vorstin en de hofbeambten en de vorsten van Juda en Jerusalem en de handwerksman en de inzetter uit Jerusalem3) —

3. door de hand van Elasa, den zoon van Saphan, en van Gamarias, den zoon van Helcias, die Sedecias, de koning van Juda, naar Baby Ion zond tot Nabuchodonosor, den koning van Babyion*), zeggende:

4. Dit zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël, tot de geheele wegvoering, die lk van Jerusalem heb weggevoerd naar Babyion :

5. Bouwt huizen en bewoont ze, en plant hoven en eet de vrucht er van.

6. Neemt vrouwen en gewint zonen en dochters; en geeft aan uwe zonen vrouwen, en geeft uwe dochters aan mannen, en dat zij zonen en dochters baren; en vermenigvuldigt u aldaar en wordt niet klein in getal.

7. En betracht den vrede der stad, werwaarts Ik u heb doen wegvoeren; en bidt voor haar tot den Heer; want in haren vrede zal vrede zijn voor u5).

8. Dit toch zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël: Laat u niet misleiden door uwe profeten, die in uw midden zijn, noch door uwe waarzeggers; en geeft geen gehoor aan uwe droomen, die gij droomt*).

storven. Naar de Septuag. zijn de «valsche» profeten bedoeld. De in v. 2 volgende tusschenzin is eene nadere tijdsbepaling; reeds vroeger had Nabuchodonosor Judeers naar Babyion weggevoerd; zie Dan. I 1 volg.

") De vorstin is de moeder van Jechonias; zie XIII 18. De hofbeambten en (met verklarende beteekenis, te weten:) de vorsten. Zie verder XXIV* 1; vgl. IV Reg. XXIV 12—16.

,*) Eerst worden de overbrengers der brieven genoemd: door de hand ziet terug op sond in v. 1. Sedecias

zond deze twee, overigens onbekende, gezanten waarschijnlijk om den koning van Babel zijne hulde te bewijzen. Vgl. LI 59, waar van een ander gezantschap sprake is. — Thans volgt tot v. 23 de eerste brief.

*) M. a. w. beschouwt het land der ballingschap als een nieuw vaderland en laat alle ijdele verwachting op een spoedigen terugkeer varen. Want in karen vrede enz., d. i. van de welvaart van dat land hangt uw welzijn af.

6) Zie XXVII 9. Hebr.: «die gij laat droomen», en die daarom uwe

Sluiten