Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Quia falso ipsi prophetant vobis in nomine meo: et non misi eos, dicit Dominus.

10. Quia hasc dicit Dominus: Cum cceperint impleri in Babylone Septuaginta anni, visitabo vos: et suscitabo super vos verbum meum bonum, ut reducam vos ad locum istum. II Par. XXXVI 21; I Esdr. 11; Supra XXV 12; Dan. IX 2.

11. Ego enim scio cogitationes, quas ego cogito super vos, ait Dominus, cogitationes pacis, et non afflictionis, ut dem vobis finem et patientiam.

12. Et invocabitis me, et ibitis: et orabitis me, et ego exaudiam vos.

13. Quseretis me, et invenietis: cum quaesieritis me in toto corde vestro.

14. Et inveniar a vobis, ait Dominus: et reducam captivitatem vestram, et congregabo vos de universis gentibus, et de cunctis locis, ad quae expuli vos) dicit Dominus: et reverti vos faciam de loco, ad quem transmigrare vos feei.

15. Quia dixistis: Suscitavit nobis Dominus prophetas in Babylone:

droomen zijn, door u vooruitbesteld en betaald, om wat gij wenscht te doen aankondigen.

') Hebr. «Eerst als voor Babel de zeventig jaren zijn vol geworden, zal Ik» enz.; zie over dit vroeger aangekondigde, toen reeds loopende tijdperk van zeventig jaren XXV noot 13.

") De gedachten des vredes, welke God kent, d. i. immer in zijnen geest houdt, betreffen het voor Israël heilrijke raadsbesluit aangaande de herstelling. Dit ook is de bedoelde uitkomst, welke door het bijgevoegde verwachting nader bepaald wordt als een hoopvolle uitkomst; zie v. 14 en vgl. XXXI 17. Patientia beteekent in de Vulgaat soms «verwachting».

*) Gaan en bidden (in de Septuag. weggelaten) hooren bijeen. De zin ia:

I 9. Want valschelijk profeteeren zij I u in mijnen naam; en lk heb hen niet gezonden, zegt de Heer.

10. Want dit zegt de Heer: Wanneer aan Babyion de zeventig jaren in vervulling beginnen te gaan7), zal Ik ulieden bezoeken; en Ik zal mijn goed woord aangaande u gestand doen, zoodat Ik u zal terugvoeren naar dit oord.

11. Dx toch ken de gedachten, die Dx aangaande u koester, zegt de Heer, gedachten des vredes en niet des onheils, opdat Ik u uitkomst geve en verwachting8).

12. En gij zult Mij aanroepen, en gij zult gaan en tot Mij bidden9), en Ik zal u ver hooren.

13. Gij zult Mij zoeken en vinden; als gij Mij zoekt met geheel uw hart10).

14. En Dx zal Mij door u laten vinden, zegt de Heer; en Dx zal uwe gevangenschap terugvoeren, en Dx zal u verzamelen uit alle volken en uit alle oorden, werwaarts Ik u heb uitgedreven, zegt de Heer; en Ik zal u doen terugkeeren uit het oord, werwaarts Dx u heb doen wegvoeren11).

15. Omdat gij gezegd hebt: De Heer heeft ons profeten verwekt in Babylon1*);

gij zult ter aanbidding samenkomen.

") Zie Deut. IV 29, 30.

") De Septuag. heeft alleen den aanhef van het vers: «Ik zal Mij aan u doen zien»; al het overige, aan Deut. XXX 3—5 ontleend, ontbreekt daar. Vgl. Jer. XXIII 3.

") Het Hebr. kan men vertalen: «Als gij zegt: De Heer heeft ons profeten verwekt naar Babel» m. a. w. de Heer, die in Jerusalem zich pleegt te openbaren, heeft ditmaal zijne profeten naar Babel gezonden. De valsche profeten, die in Babel met deze woorden hunne zending wilden staven, grondden, naar het schijnt, hunne voorspelling van een spoedigen terugkeer op het voortbestaan van David's huis (in Sedecias) en van de stad Jerusalem. Daarom richt Jeremias, alvorens in v

Sluiten