Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de mane consurgens et loquens, et non obedistis mihi.

15. Misique ad tos omnes servos, meos prophetas, consurgens diluculo, mittensque et dicens: Convertimini unusquisque a via sua pessima, et bona f acite studia vestra: et nolite sequi deos alienos, neque colatis eos: et habitabitis in terra, quam dedi vobis et patribus vestris: et non inclinastis aurem vestram, neque audistis me. Supra XVIII 11 et XXV 6.

16. Firmaverunt igitur filii Jonadab filii Rechab praeceptum patris sui, quod praeceperat eis: populus autem iste non obedivit mihi.

17. Idcirco haec dicit Dominus exercituum, Deus Israël: Ecce ego adducam super Juda, et super omnes habitatores Jerusalem universam afflictionem, quam locutus sum adversum illos, eo quod locutus sum ad illos, et non audierunt: vocavi illos, et non responderunt mihi.

18. Domui autem Rechabitarum dixit Jeremias: Haec dicit Dominus exercituum Deus Israël: Pro eo quod obedistis praecepto Jonadab patris vestri, et custodistis omnia mandata ejus, et fecistis universa, quae praecepit vobis:

19. Propterea haec dicit Dominus exercituum Deus Israël: Non deficiet vir de stirpe Jonadab filii Rechab, stans in conspectu meo cunctis diebus.

") Zie'vTI noot 12. De Septuag. (hoofdstuk XLII) is hier en in de volgende verzen beknopter.

") Zie XXV 4, 5. De bewoners van Jerusalem, reeds in Juda begrepen, worden nog afzonderlijk vermeld, als meer bevoorrecht en daarom schuldiger. Omdat Ik tot hen gesproken enz. laat de Septuag. weg; zie verder VII

Ik echter, lk heb tot u gesproken des morgens opstaande en sprekende, en gij hebt Mij niet gehoorzaamd11).

15. En De heb tot u al mijne dienstknechten, de profeten, gezonden, vroeg opstaande en zendende en zeggende: Bekeert u, een iegelijk van zijnen allerboosten weg, en richt uwe gezindheid tongoede; en loopt toch geen vreemde goden achterna en eert hen niet; en gij zult blijven wonen in het land, dat Ik gegeven heb aan u en aan uwe vaderen; en gij hebt uw oor niet geneigd noch naar Mij gehoord.

16. Derhalve hebben de kinderen van Jonadab, den zoon van Rechab, het gebod gestand gedaan van hunnen vader, dat hij hun geboden had; maar dit volk heeft Mij niet ge* hoorzaamd.

17. Daarom zegt dit de Heer der heerscharen, de God van Israël: Zie, Dx zal over Juda en over al de bewoners van Jerusalem al het onheil brengen, dat Ik tegen hen gesproken heb; omdat Ik tot hen gesproken heb, en zij niet hebben gehoord; omdat Dx hen geroepen heb, en zij Mij niet hebben geantwoord12).

18. Doch tot het huis der Rechabieten zeide Jeremias: Dit zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël: Omdat gij gehoorzaamd hebt aan het gebod van Jonadab, uwen vader, en al zijne bevelen onderhouden en alles gedaan hebt, wat hij u geboden heeft,

19. daarom zegt dit de Heer der heerscharen, de God van Israël: Nimmer zal het den stam van Jonadab, den zoon van Rechab, aan een man ontbreken, die staan zal voor mijn aangezicht, alle dagen13).

13; XI 11; XIX 15.

•*) Vgl. XXXIII 17, 18. Deze belofte behelst, dat hun stam zal blijven voortbestaan en dat hunne hoofden den Heer onder een of ander opzicht zullen dienen, in vertrouwelijken omgang met Hem verkeerende; zie XV 19. Hoe de belofte in vervulling is gegaan, heeft de geschiedenis niet opgeteekend.

Sluiten