Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Ecce ego babito in Masphath ut respondeam praecepto Chaldaeorum, qui mittuntur ad nos: vos autem colligite vindemiam, et messem, et oleum, et condite in vasis vestris, et manete in urbibus vestris, quas tenetis.

11. Sed et omnes Judaei, qui erant in Moab, et in filiis Ammon, et in Idumaea, et in universis regionibus, audito quod dedisset rex Babylonis reliquias in Jndaea, et quod praeposuisset super eos Godoliam filium Ahicam filii Saphan:

12. Reversi sunt, inquam, omnes Judsei de universis loois, ad quae prof ugerant, et venerunt in terram Juda ad Godoliam in Masphath: et collegerunt vinum, et messem multam nimis.

13. Johanan autem filius Caree, et omnes principes exercitus, qui dispersi fuerant in regionibus, venerunt ad Godoliam in Masphath.

14. Et dixerunt ei: Scito quod Baalis rex filiorum Ammon misit Ismahel filium Nathaniae percutere animam tuam. Et non credidit eis Godolias filius Ahicam.

15. Johanan autem filius Caree

10) Hebr.: «om te staan voor het gezicht der Chaldeën, die tot ons zullen komen», d. i. om in hunnen naam het land te besturen en aan hen rekenschap te geven van mijn bestuur. Als zoodanig geeft Godolias hun de verzekering, dat, zoo zij rustig en onderworpen blijven, hun geen leed zal geschieden, en zij veilig de vruchten van hun land zullen kunnen inoogsten.

") De mare van deze nieuwe nederzetting en van het rustig en veilig verblijf in Juda lokte de voor het leger der Chaldeën wijd en zijd gevluchte Judeërs naar hun vaderland terug. Zulk een vluchteling, die zich bij de Ammonieten had schuil gehouden, was Ismahel, voor wien de overige leger-

10. Zie ik, ik houd mijn verblijf te Masphath, om in te staan voor wat de Chaldeën bevelen, die tot ons gezonden worden10); gij echter, zamelt wijn in en koren en olie, en bergt het in uwe vaten, en woont in uwe steden, die gij in bezit hebt.

11. Maar ook al de Judeërs, die in Moab en onder de kinderen van Ammön en in Idumea en in al de landstreken waren, toen zij hoorden, dat de koning van Babyion overblijfselen had gelaten in Judea, en dat bij over hen Godolias, den zoon van Ahicam, den zoon van Saphan, had aangesteld;

12. al de Judeërs, zeg ik, keerden terug uit al de plaatsen, werwaarts zij gevlucht waren, en kwamen naar het land Juda tot Godolias te Masphath; en zij zamelden wijn in en koren, uitermate veel11).

13. Doch Johanan, de zoon van Careë, en al de legerhoofden, die in de landstreken verspreid waren geweest, kwamen tot Godolias te Masphath.

14. En zij zeiden tot hem: Weet dat Baalis, de koning der kinderen van Ammon, Ismahel, den zoon van Nathanias, heeft uitgezonden om u van het leven te berooven12). En Godolias, de zoon van Ahicam, geloofde hen niet.

15. Doch Johanan, de zoon van

vorsten van Juda den landvoogd te Maspha kwamen waarschuwen, naar v. 13 volg. — Uit den rijken oogst, dien zij reeds zoo spoedig konden inzamelen, volgt, dat de Chaldeën het land van Juda niet op barbaarsche wijze hadden verwoest, ja zelfs vruchtboomen en wijnbergen gespaard hadden. Naar de Septuag. zamelden zij ook «olie» in.

") Wat den koning der Ammonieten hiertoe dreef, blijkt niet. Wellicht was het eene oude veete tegen Godolias, of wel had hij gehoopt het grondgebied van Juda, na de wegvoering der bevolking, te kunnen nemen, en zag hij zich nu door de aanstelling van Godolias tot landvoogd in die verwachting teleurgesteld.

Sluiten