Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22. Vox ejus quasi aeris sonabit: quoniam cum exercitu properabunt, et cum securibus venient ei, quasi caedentes ligna.

23. Succiderunt saltum ejus, ait Dominus, qui supputari non potest: multiplicati sunt super loeustas, et non est eis numerus.

24. Confusa est filia iEgypti, et tradita in manu populi aquilonis.

25. Dixit Dominus exercituum Deus Israël: Ecce ego visitabo super tumultum Alexandriae, et super Pharaonem, et super ^Igyptum, et super deos ejus, et super reges ejus, et super Pharaonem, et super eos, qui confidunt in eo.

26. Et dabo eos in manu quaerentium animam eorum, et in manu Nabuchodonosor regis Babylonis, et in manus servorum ejus: et post haec habitabitur sicut diebus pristinis, ait Dominus.

27. Et tu ne timeas serve meus Jacob, et ne paveas Israël: quia ecce ego salvum te faciam de Ion-

vluchten zij, want aan de algemeene slachting sullen zij niet ontkomen.

™) De vernietiging van Egypte's talrijke krijgsmacht wordt in v. 22 en 23 geschilderd onder het beeld van een door eene menigte houthakkers geveld woud; vgl. Is. X 18, 34. Naar de Vulgaat en de Syr. vertaling is hare, Egypte's, klaagstem doordringend als het geluid van metalen speeltuigen (vgl. XLVIH 36), naar het Hebr. en de Septuag. als het sissen der slang, die wegvlucht bij het vellen der boomen en struiken. Met bijlen, het wapen der Scythen en Perzen, die in het leger van Babel dienden.

") Het woud, welks boomen niet geteld kunnen worden, beteekent het talrijke Egyptische leger. Sprinkhanen zijn een treffend beeld der in het land vallende, ontelbare verwoesters; zie Judic. VI 5.

22. Hare stem klinkt als metaal; want met krijgsmacht rukken zij aan, en met bijlen komen zij tot haar als houtbakkers26).

28. Zij hebben haar woud omgehouwen, zegt de Heer, dat niet geteld kan worden; menigvuldig zijn zij meer dan sprinkhanen, en zij zijn zonder tal27).

24. Te schande gemaakt is de dochter van Egypte en overgeleverd in de hand van het volk uit het noorden.

25. De Heer der heerscharen, de God van Israël, heeft gezegd: Zie, Ik zal bezoeking brengen over het gewoel van Alexandrië*8) en over Pharao en over Egypte en over zijne goden en over zijne koningen en over Pharao en over degenen, die op hem vertrouwen29).

26. En Ik zal hen geven in de hand dergenen, die hun naar het leven staan, en in de hand van Nabuchodonosor, den koning van Baby Ion, en in de handen zijner dienaren10). En daarna zal het bewoond worden als in vroegere dagen, zegt de Heer81).

27. En gij82), vrees niet, mijn dienstknecht Jacob, en versaag niet, o Israël ! Want zie, Ik, Ik zal u redden

**) Over de talrijke bevolking van Alexandrië, Hebr.: «over Amoon van No», d. i. over den god van OpperEgypte, die vooral in No of No-Amoon (Thebe, zie Nah. III noot 4) vereerd werd. Vgl. Ez. XXX 14. Wat hier volgt en over Pharao tot aan het andere Pharao staat niet in de Septuag.

**) Niet alleen over Pharao met zijn eigen volk en land en goden, maar ook over denzelfden Pharao met de vreemden, die op hem vertrouwen, b.v. de Judeërs; vgl. II 36, 37; XXXVII 4, 6.

") Zie XLIV 80.

•') Evenals Is. XIX 22 volg. wordt aan Egypte nog eene rustige toekomst voorspeld; vgl. Ez. XXIX 13—16. In de Septuag. ontbreekt dit vers.

**) Een troostwoord voor het in Babyion verbannen Juda gelijk XXX 10, 11.

Sluiten