Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Quomodo dicitis: Fortes sumus, et viri robusti ad prceliandum ?

15. Vastata est Moab, et civitates illius succiderunt: et electi juvenes ejus descenderunt in occisionem: ait rex, Dominus exercituum nomen ejus.

16. Prope est interitus Moab ut veniat: et malum ejus velociter accurret nimis.

17. Consolamini eum omnes, qui estis in circuitu ejus, et universi, qui scitis nomen ejus, dicite: Quomodo confracta est virga fortis, baculus gloriosus?

18. Descende de gloria, et sede in siti habitatio filias Dibon: quoniam vastator Moab ascendit ad te, dissipavit munitiones tuas.

19. In via sta, et prospice habitatio Ar oer: interroga fugientem: et ei, qui evasit, die: Quid accidit ?

20. Confusus est Moab, quoniam victus est: ululate, et clamate, an-

14. Hoe zegt gij: Helden zijn wij en dappere krijgslieden?

15. Verwoest is Moab, en zijne steden hebben zij geslecht, en de keur zijner jongelingen is afgedaald ter slachting, zegt de Koning — de Heer der heerscharen is zijn naam16).

16. Nabij is de ondergang van Moab en hij zal komen, en zijn onheil zal haastig aansnellen uitermate17).

17. Troost hem, gij allen, die rondom hem zijt, en allen, die zijnen naam kent, zegt: Hoe is gebroken de machtige staf, de heerlijke schepter»)?

18. Daal af uit de heerlijkheid en zit neder in dorstigheid, woonstede der dochter Dibon19); want de verwoester van Moab is tegen u opgetogen, hij heeft uwe vestingwerken vernield!

19. Plaats u aan den weg en zie uit, woonstede van Aroër! Ondervraag den vluchteling, en zeg tot hem, die ontkomen is: Wat is er gebeurd80) ?

20. Te schande gemaakt is Moab, want hij is overwonnen; jammert

menrijk; zie III Reg. XII 29; Os. IV 15. Daar de profeet alleen van Israël en Bethel gewaagt, acht men deze profetie vóór den ondergang van Juda uitgesproken; vgl. XLVI 27, 28.

") In plaats van succiderunt, hebben zij geslecht, lezen oudere uitgaven der Vulgaat succenderunt, hebben zij in brand gestoken, wat ook volgens sommigen het Hebr. kan beteekenen. De Septuag. heeft alleen: «Verwoest is Moab, zijne stad». — De hemelsche Koning, ook van Moab, staat in tegenstelling met den nietigen Chamos; zie XLVI 18.

") Derde strophe. Zij begint gelijk de eerste en de tweede met de aankondiging van den ondergang.

") Troost, d. i. betuigt deelneming aan het ongelukkige Moab, gij, die rondom hem en dus in zijne nabijheid zijt, en gij, die zijnen naam kent door de faam, te weten de verder afgelegen

volken. De profeet legt hun den klaagzang in den mond: Zegt enz., m. a. w.: Plotseling en onherstelbaar gebroken zijn staf en schepter, de zinnebeelden zijner heerschappij. Vgl. Ps. CIX 2; Is. XIV 5, 6; Ez. XIX 11—14.

'*) Daal af van uwen luisterrijken troon (vgl. Is. XLVII 1) en zet u neder in dorstigheid, als in eene waterlooze woestijn (zie v. 6), het zinnebeeld van allerlei ellende, gij woonstede, Hebr. «bewoonster», d. ï. bevolking, der vroeger rijk bewaterde stad Dibon, de dochter des lands; zie Is. XV noot 3 en 10.

**) Voor den verwoester vlucht wat vluchten kan met overhaastigen spoed, zoodat de bevolking (woonstede, zie noot 19) van Aroër (zie Is. XVII noot 2), waarlangs de vluchtelingen uit het noorden zich voortspoeden, komt uitgeloopen en verwonderd vraagt: Wat enz.; het antwoord volgt in v. 20 volg.

Sluiten