Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in sanctuario Domini sacerdos, et propheta?

Sin.

21. Jacuerunt in terra foris puer, et senex: virgines meae, et juvenes mei ceciderunt in gladio: interfecisti in die furoris tui: percussisti, nee misertus es.

Thatj.

22. Yocasti quasi ad diem solemnem, qui terrerent me de circuitu, et non fuit in die furoris Domini qui effugeret, et relinqueretur: quos educavi, et enutrivi, inimicus meus consumpsit eos.

heiligdom des Heeren priester sneven en profeet19)?

Sm.

21. Buiten liggen ter aarde knaap en grijsaard; mijne jonkvrouwen en mijne jongelingen zijn gevallen door het zwaard; Gij hebt gedood ten dage uwer verbolgenheid, Gij hebt geslagen en U niet erbarmd*0)!

Thaü.

22. Gij riept als ten feestdag die mij verschrikten in het rond*1); en niemand was er ten dage van des Heeren verbolgenheid, die ontkwam en overbleef; die ik heb opgevoed en grootgebracht, hen, heeft mijn vijand vernietigd.

CAPUT III. HOOFDSTUK III.

God heeft geheel zijnen toorn over mij uitgestort (v. 1—18). Vertrouwen op Gods barmhartigheid en getrouwheid (v. 19—89). Rechtvaardigheid der straffen (v. 40—54). Gebed tot den God des Verbonds, den wreker der vijanden (v. 55—66).

Aleph.

1. Ego vir videns paupertatem meam in virga indignationis ejus.

Aleph.

2. Me minavit, et adduxit in tenebras, et non in lucem

Aleph.

3. Tantum in me vertit, et convertit manum suam tota die.

Aleph.

1. Ik ben de man, die mijne ellende zag door de roede zijner verbolgenheid.

Aleph.

2. Mij dreef en voerde Hij in duisternis, en niet in het licht;

Aleph.

3. Alleen tegen mij wendde en keerde Hij zijne hand, den ganschen dag1).

**) Uit v. 21 «mijne jonkvrouwen» enz. blijkt, dat Sion hier bidt overeenkomstig de opwekking van v. 19. Aan wien... wijnlezing enz., zie 112 en 22; Hebr.: «San wie Gij zoo iets hebt gedaan», te weten aan uw Sion; vgl. I 11. Wat tijdens de belegering metterdaad geschied was, is zoo gruwelijk, dat Sion het niet durft uitspreken; alleen vraagt zij aan God, of zoo iets niet al te streng is en de door Hem gestelde maat overschrijdt. En toch was dit in Lev. XXVI 29, in Deut. XX VIII53 volg. en Jer. XIX 9 bedreigd en aan Samaria reeds vroeger in vervulling gegaan; zie IV Reg. VI 28.

*°) Buiten, op de straten der stad. Gij hebt enz.: God treedt wederom op als de laatste oorzaak der jammeren.

") d. i. De mij omringende vijanden, naar de uitdrukking aan Jeremias eigen; zie op Jer. VI 25. De Septuag. echter heeft: «mijne bijwoners in het rond», d. i. de bewoners van het rondom Sion liggende land. Zij waren bij de aankomst des vijands naar Jerusalem gevlucht en daar met geheele troepen als ten feestdag aangekomen, doch om aldaar allen om te komen, gelijk verder gezegd wordt.

') In dit lied hebben de verzen drie I aan drie in het Hebreeuwsch dezelfde

Sluiten