Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tas aurem tuam a singultu meo, et clamoribus.

Coph.

57. Appropinquasti in die, quando invocavi te: dixisti: Ne timeas.

Res.

58. Judieasti Domine causam animae mea;, redemptor vitae meae.

Res.

59. Vidisti Domine iniquitatem illorum adversum me: judica judicium meum.

Res.

60. Vidisti omnem furorem, universas cogitationes eorum adversum me.

Sur.

61. Audisti opprobrium eorum Domine, omnes cogitationes eorum adversum me:

Sin.

62. Labia insurgentium mihi, et meditationes eorum adversum me tota die.

Sin.

63. Sessionem eorum, et resurrectionem eorum vide, ego sumpsalmus eorum.

Thau.

64. Reddes eis vicem Domine juxta opera manuum suarum.

Thau.

65. Dabis eis scutum cordis laborem tuum.

Thau.

66. Persequeris in furore, et conteres eos sub ccelis Domine.

wend uw oor niet af van mijn snikken en schreien46)!

Coph.

57. Gij waart nabij ten dage, toen ik U aanriep; Gij zeidet: Wees niet bevreesd.

Res.

58. Gij hebt, o Heer, het pleit mijner ziel gevoerd, Gij, de verlosser van mijn leven!

Res.

59. Gij hebt, o Heer, bun onrecht tegen mij gezien; richt mijne rechtzaak!

Res.

60. Gij hebt al hunne woede gezien, al hunne overleggingen tegen mij.

Sin.

61. Gij hebt hunnen smaad gehoord, o Heer, al hunne overleggingen tegen mij,

Sin.

62. de lippen47) .mijner tegenstanders en hunne beramingen tegen mij den ganschen dag.

Sin.

63. Sla hun zitten en hun opstaan gade48); ik, ik ben hun spotlied.

Thau.

64. Doe hun vergelding, o Heer, naar de werken hunner handen49)!

Thau.

65. Geef hun een dekschild op het hart, uw jammer50)!

Thau.

66. Vervolg in toorn en verdelg hen onder de hemelen, o Heer61)!

*') Mijne stem, die tot U smeekte: wend enz.

*') Wat hunne lippen spraken, de hoonende woorden (v. 61).

48) Al hun doen en laten. Vel. Is. XXXVH 28; Ps. CXXXVIII 2. Zie Verder v. 14.

*9) Zie op Ps. XXVII 4.

") Een dekschild om hun hart te

sluiten voor waarheid en deugd, m. a. w. verhardheid in het kwaad, verblinding des harten, zoodat zij hun verderf inloopen; vgl. II Cor. III 15. Uw jammer, dat van U komt; Hebr.: «uw vloek over hen!» Zie Ps. V noot 8.

") Hebr.: «van onder de hemelen», d. i. van het aanschijn der aarde. Vgl. Deut IX 14.

Sluiten