Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT IV.

HOOFDSTUK IV.

Ontzettende tooneelen vóór en bij den val van Jerusalem (v. 1—11). De schuld der valsche profeten en priesters (v. 12—16). Het vertrouwen op menschen (v. 17—20). Gods ontferming over Juda, zijn wraak over diens vijanden (v. 21—22).

Aleph.

1. Quomodo obscuratum est aurum, mutatus est color optimus, dispersi sunt lapides sanctuarii in capite omnium platearum?

Beth.

2. Filii Sion inclyti, et amicti auro primo: quomodo reputati sunt in vasa testea, opus manuum figuli?

Ghimel.

3. Sed et lamiae nudaverunt mammam, lactaverunt catulos suos: filia populi mei crudelis, quasi struthio in deserto.

Daleth.

4. Adhaesit lingua lactentis ad palatum ejus in siti: parvuli petierunt panem, et non erat qui frangeret eis.

He.

5. Qui vescebantur voluptuose, in»

Aleph.

1. Hoe is bet goud verdonkerd, verdoofd de edelste glans? Hoe liggen de steenen des heiligdoms verstrooid aan de boeken aller straten1) ?

Beth.

2. Sion's zonen, wijdberoemd en gedost in het fijnste goud3), hoe zijn zij geacht als aarden vaten, werk van de handen des pottenbakkers!

Ghimel.

3. Zelfs monsterdieren ontblooten de borst, zoogen hare welpen; de dochter van mijn volk is hardvochtig als de struisvogel in de woestijn3).

Daleth.

4. De tong des zuigelings kleefde aan zijn gehemelte van dorst; de kinderkens vroegen om brood, en er was niemand, die het hun brak*).

He.

5. Die lekkernijen aten, komen om

*) De verzen zijn in dit Klaaglied vierledig. — Sommigen verstaan v. 1 letterlijk van den tempel, welks gouden bekleedsel (II Par. III 5, 8) bij den brand zwart was geworden, welks «heilige steenen* (Hebr. en Septuag.) ordeloos verstrooid lagen. Volgens anderen is alles beeldspraak en zijn door het goud enz. «Sion's zonen» (v. 2) bedoeld, te weten hare vorsten, edelen en priesters, die aan de verachting en den dood waren prijsgegeven; vgl. Is. XLIII 28. In plaats van glans heeft de Septuag. «zilver», het Hebr. echter «edel metaal» ; zie de vertaling der Vulgaat in Job XXXI 24; Cant. V 11.

2) Hebr.: «kostbaar en tegen fijn goud opgewogen», m. a. w. de edelsten des volks. — Als aarden vaten, die men tegen elkander tot nietswaardige scherven stukslaat. Zie Jer. XVIH

4, 6, 7; XIX 10, 11; XXII 28.

a) Eene schildering van den hongersnood op het einde der belegering. Sion, de dochter, die mijn volk. is, wordt hier als moeder gedacht, welke, onmachtig om haar eigen kinderen (de inwoners der stad) te zoogen, ze aan den hongerdood prijsgeeft. Zij is hardvochtiger dan de monsterdieren, de lamim, waarin de Grieksche mythologie alle wreedheid belichaamt, Hebr. «tannim», een soort van jakhalzen (zie Is. XIII noot 15); zij is als de struisvogel, die, naar men meende, hare eieren nauwelijks bebroedt en hare jongen verwaarloost; zie Job XXXIX 13—18.

4) Vgl. II 11, 12. Het brood, dat den vorm had van dunne, bijna ronde koeken, werd door den huisvader gebroken en aldus aan de aanzittenden uitgedeeld.

Sluiten